zaterdag 22 september 2018

'Het uitgestelde requiem'

Ik kom geregeld in Maredsous. Het is er heerlijk toeven onder de bomen met een boek, een boterham en een trappist. Aan de abdij is een winkeltje verbonden met allerlei religieuze spulletjes. Dat is nu niet meteen mijn ding, maar ze hebben er een hoekje met klassieke cd's. En, schijnbaar, een goede pater-inkoper, want hoewel het aanbod niet heel groot is, is er steevast altijd iets interessants te vinden. Na een trappistje overigens, is de knip op de geldbeugel iets losser.


Sinds de digitale televisie zijn we vertrouwd met uitgesteld televisie kijken. Wel, in het Frankrijk van de negentiende eeuw kende men het fenomeen van het uitgestelde requiem. Dat leerde ik toen ik in Maredsous een opname vond, door Le Concert Spirituel onder leiding van Hervé Niquet, van twee requiems: eentje van Luigi Cherubini voor Lodewijk XVI en één voor zijn vrouw Marie-Antoinette, van de hand van Charles-Henri-Plantade. 

Lodewijk en Marie-Antoinette hadden de pech monarch te zijn in Frankrijk tijdens de woelige periode van de Franse revolutie. Beiden eindigden onder de guillotine. Het spreekt voor zich dat er bij hun begrafenis op dat moment weinig eerbetoon aan te pas kwam. In 1815 werd de monarchie hersteld en in die context ontstonden beide requiems. De lichamen van Lodewijk en zijn echtgenote werden opgegraven en in 1816 overgebracht naar Saint-Denis, het mausoleum voor de Franse koningen. Toen klonk het werk van Cherubini. In 1823 ter gelegenheid van het 30ste sterfjaar van Marie-Antoinette werd het werk van Plantade gecreëerd.

Le Concert Spirituel nam beide werken op in de kapel van het kasteel van Versailles. Hoewel Plantade met één been in de romantiek staat is de schriftuur van zijn requiem zeer achttiende-eeuws. Dat heeft hij wellicht met opzet gedaan. Hij wilde Marie-Antoinette eren in de muzikale taal die haar destijds, tijdens haar leven, eigen was. Niquet is een vakman, en dat hoor je in alles aan koor en orkest. Ingetogen waar het moet, opstandig en furieus als de tekst het toelaat. Een fraaie uitvoering.

Zijn deze twee requiems de allerhoogste kunst? Dat misschien net niet. Maar ik vind een dergelijke uitzonderlijke opname vaak interessanter dan een zevenhonderdrieëntwintigste registratie van Mozarts requiem, en niet alleen omwille van de historische ontstaanscontext. (Al moet ik toegeven dat ik met de tijd meer en meer blij verrast kan worden door een nieuwe kijk op een vaak gespeeld werk).

Alleszins, de theatraliteit die in de composities van Plantade en Cherubini sterk aanwezig is heeft de weg bereid voor de latere Franse religieuze muziek. Onder andere die van Berlioz.
Meer dan het beluisteren waard!

Giovanni

vrijdag 14 september 2018

In memoriam Marcel Pieters: 'Alles aan Lokeren interesseert me'

(Interview door Filip Anthuenis en mezelf, eerder verschenen in het boek 'Verdienstelijk Lokeren' (2011). De foto werd genomen door Freddy Meert)

Zeggen dat Marcel Pieters een wandelende encyclopedie is, is een open deur intrappen. De man rijgt de Lokerse verhalen en wetenswaardigheden aan elkaar. Marcel – heemkundige, auteur van het Lokers dialectwoordenboek, stadsgids, huisvader en zoveel meer – is een rasverteller. Eens op dreef houdt niets of niemand hem tegen. Als we bij Marcel en zijn vrouw aan de eettafel in de woonkamer aanhalen dat Marcel in de schaduw woont van de befaamde beuk waarvoor enkele jaren geleden een actiegroep werd opgericht, steekt hij van wal. De toon is gezet.


Marcel Pieters: Daar is toen veel om te doen geweest.* Weet jij nog dat daar voordien, op de plek van die boom, een café stond, ’t Rozenhof ? Gerard Van Langenhove baatte dat uit. Gerard was de privéchauffeur van Marcel Cock. Marcel reed hier in Lokeren rond, en daar keken we destijds enorm naar op: hij had een nummerplaat van Monaco. Stel je voor: een nummerplaat van Monaco!

Sinds wanneer woon je hier in de Beukenlaan, Marcel ?
Sinds 1967, maar de wijk is ouder. Begin jaren ’50 werd hij aangelegd, er woonden aanvankelijk  heel wat douaniers. De ‘Vliegende Brigade’ streek rond die periode neer in Lokeren, versterkt met ‘gendarmes’, zij kregen voorrang bij het toewijzen van een huis. In onze streken werd gewaaldig veel gesmokkeld toen. Dat ging er hard aan toe: de douane legde versperringen aan met kettingen. Maar de smokkelaars zelf waren ook goed uitgerust, met zware personenwagens waaruit ze kraaienpoten gooiden. Daar reden de douaniers uiteraard plat op. Later zijn wij er gaan wonen.


En jouw ouderlijk huis, waar stond dat ?
Op (H)Ollaëre (Hillare), niet zo ver van ’t Karlapperken. Nen echte Lokereire zegt ‘(H)ollaëre’, hé ! Daar woonden we  - mijn moeder was een kleermaakster en mijn vader een boerenzoon - in dat dreefje naast ere-schepen Jeanne Ernalsteen. Het eerste huis van de drie was het onze.

(Filip): Heel toevallig, maar ik woonde als jonge kerel op de Karlapper, en ik herinner me dat mijn moeder me steevast naar Jeanne stuurde om melk te halen.
In die buurt ben ik inderdaad opgegroeid. Mijn ouders leefden in de overtuiging dat men ooit van dat dreefje een straat zou maken die zou doorlopen tot Naastveld.

We hebben eens opgezocht over welke Lokerse onderwerpen jij allemaal al geschreven hebt. Dat is fenomenaal: Sinterklaas, kapelletjes, het dialect, het maken van vliegers, de ijskelder in het Verloren Bos, straatzangers, de haarsnijderijen, die zo typische Lokerse nijverheid die de grondstoffen voor het vervaardigen van vilt produceerde,…
Ik ben iemand met een heel grote algemene interesse. Alles aan Lokeren interesseert me. Ik lees veel zaken en heel vaak denk ik: ‘Daar moet meer over te vinden zijn’ en dan ga ik aan de slag. Ik zoek onderwerpen die bevattelijk zijn voor de mensen, waar iedereen iets aan heeft. En zaken waar nog niet over geschreven is. Anders kan je gewoon De Potter en Broeckaert** overschrijven, dat heeft geen zin. Mijn vrouw zegt soms: ‘Gij moet ne vrieë stratenloper geweest zijn dat ge dat allemaal kent en weet.

Eigen ervaringen spelen waarschijnlijk ook een rol.
Voor het laatste artikeltje dat ik schreef heb ik inderdaad uit mijn eigen ervaring geput, het gaat over de vlasteelt en -bewerking in Lokeren. Mijn grootouders langs vaderskant waren middelgrote boerkes, met een aantal akkers, één weide en een vijftal koeien. Pas op: in die tijd, rond de jaren ’40, waren er weinig landbouwers die tien koeien hadden, hoor. Ze hadden toen allemaal ook maar één weide want land moest opbrengen en de koeien konden ook aan de kant of aan de grachten grazen. Mijn grootouders zaaiden elk jaar vlas, ze kochten het zelfs op, want het waren zwingelaars. De periode dat het vlas moest gewied worden herinner ik me nog zeer goed omdat we moesten meehelpen.

Je was nog een klein manneke toen ?
Zeker ! Zo klein dat ik enkel het onkruid naar de kant mocht dragen. Maar doordat ik het van dichtbij meemaakte kan ik daar nog veel anekdotes over opdissen. Er werd gezongen en verteld, de mannen schepten dikwijls op over hun avonturen bij de troep. En wat de jeugd zich niet meer kan voorstellen is dat we zelden zouden beginnen werken zijn zonder een kruisteken te maken. Een neef van mijn vader merkte ooit op: ‘We zaten nog maar op onze knieën en we mochten al een paternoster lezen !’

Wat weinig mensen weten is dat jij een militaire carrière hebt uitgebouwd.
Mijn vader is op een bepaald moment gaan werken bij de oude Cockes, samen met jouw grootvader, Cesar Anthuenis. Ze waren er paardenknecht. Mijn grootvader langs moeders kant werkte daar overigens ook, samen met zijn drie broers. Samen moet dat viertal er overigens meer dan 200 jaar gewerkt hebben - op elf jaar hadden ze de schoolbanken verlaten en ze hadden er tot hun 65 gewerkt.

Zoiets kunnen we ons nu niet meer voorstellen.
In geen geval ! Maar, mijn grootvader, die er dus ook werkte en bij ons inwoonde, heeft me warm gemaakt voor de textielfabriek. ‘Als ge van ’t school komt’, zei hij, ‘gaat ge mee naar de fabriek en ge wordt  daar meestergast, of oppermeester.’ Ik ging regelmatig na school met hem mee, en ik was meteen verknocht aan die machines. Ik ben er dan ook op mijn veertiende gaan werken als helper-mecanicien, ondanks het feit dat mijn ouders al eens bezoek gekregen hadden van het ‘Fonds der meerbegaafden’, deftige mannen die me wilden laten verderstuderen. Dat ik op mijn veertiende naar de fabriek ben gegaan, aan twee frank per uur ! -  belet niet dat ik later nog veel gestudeerd heb: avondschool, zondagsschool, schriftelijke cursussen, noem maar op.

Maar hoe zat het dan met het leger ?
Ik heb uiteraard mijn legerdienst moeten doen, zoals iedereen. Ik was van de klas ’52, maar begon vervroegd aan mijnen teirm in oktober 1951. We gingen binnen voor twee jaar toen. Eerst in Leopoldsburg, later in Arnsberg, Westfalen. Ik heb daar bijgetekend. Ik werd op termijn onderofficier-specialist bij de Landmacht, technicus voor het Genie-materiaal, en heb geruime tijd les gegeven aan de Genie-school in Jambes en in het Arsenaal Materiaal in Haasdonk, Westakkers. Ik gaf les over bulldozers, buitenboordmotoren, kranen, betonmolens,… Theorie en praktijk. Het eerste wat ik telkens zei tegen de leerlingen was: ‘Jullie zitten hier allemaal tegen jullie goestinge, maar als ge hier binnen twee maanden buiten gaat moet ge in staat zijn om aan uw auto te werken.’ Amai, dan zagen ze het wel zitten !

Tijdens het lesgeven is jouw interesse voor het dialect ontstaan.
Dat is logisch. Iedere milicien sprak dialect, of die nu van Bachten de Kupe, Wervik of de Maaskant afkomstig was. Wij, als Waaslanders hadden nog het geluk om iedereen te verstaan. Wij waren altijd in staat een deftig gesprek te voeren. Maar die uit Wervik en Maaseik, die verstonden elkaar niet. In de school ving ik dialectwoorden op zoals ‘piepegaale***’ , ik begon dergelijke woorden op te schrijven – op bierkaartjes bijvoorbeeld – en te vergelijken met het Lokers. Zo is dat begonnen.

Hoe staat het met het Lokers dialect eigenlijk ?
Het dialect kent een achteruitgang, dat is duidelijk. Je groeit tegenwoordig op in Lokeren, studeert in Leuven, trouwt met iemand uit Ieper en gaat in Vilvoorde wonen. Welk dialect spreek je dan met de kinderen ? Als we het nog spreken is het keukendialect, het dialect van het huishouden. Maar de dialectwoorden van onze fauna en flora, van het werk op het land, dat gaat er allemaal uit. De boeren zitten drie meter hoog op hun tractor, het onkruid wordt kapotgespoten. Niet verwonderlijk dat men niet meer weet wat duuvelsbieëte is.

We weten het ook niet.
Duuvelsbieëte is zwarte nachtschade, solanum nigrum, een plant. Men spreekt altijd van erfgoed: kastelen moeten gerestaureerd worden, voor schilderijen geldt hetzelfde. Maar wat met onze taal ? Ons Lokers restaureren kost niets. Je moet het gewoon spreken. Professor Johan Taeldeman stelt het zo: dialect is je vrijetijdskleding, het AN is je beste pak. Het is verkeerd om je kind het dialect te ontzeggen, het maakt hen taalgevoeliger. Dialecten zijn enorm rijk, het aantal synoniemen dat dialecten hebben voor bepaalde begrippen is onvoorstelbaar. Het dialect en het AN kunnen perfect naast elkaar bestaan. We evolueren ook meer en meer naar regiolecten: je gaat binnenkort niet langer meer horen of iemand van het Heiende, van Eksaarde is of van het centrum, wel of hij van dees kanten is. Uit Oost-Vlaanderen of uit Limburg.

Is het Lokers platter dan de andere dialecten uit de omgeving.
Ja. Het Lokers dat ik beschreven heb is dat van het centrum, het is het dialect van een fabrieksomgeving. Arbeiders uit de fabriek draaien niet rond de pot, die zeggen de dingen zoals ze zijn. Zij nemen geen blad voor de mond.

Je kan er echt in opgaan, in het Lokers dialect ?
Ja, ’t is ook zo mooi. Neem nu onze moazoart, nergens anders gebruikt men dat woord voor meikever. Alsof er in heel de geschiedenis van onze stad een muur rond Lokeren heeft gestaan. En dan onze uitdrukkingen, die zijn zo beeldrijk. As ’t (h)ieët is moedde bloaëzen, zeet den boer èn (h)ij liet ‘n scheet op zijne pap ! Of deze, die had ik nog nergens anders gehoord: As ge tot oan aune nèk in de strõnt zit tèn is ’n scheete  ne frisse wind. Ik besef het, ze zijn een beetje aan den bruine kant, maar ze kunnen er nog net door.

Nu we het over taal hebben, in Lokeren wordt ook Turks en Arabisch gesproken. Je woont al heel lang in Lokeren. Hoe kijk je tegen de migratie aan ?
De eerste migranten in Lokeren waren de Spanjaarden. Dat was een grote groep. Ze hadden zelfs een eigen kerkdienst in de Paterskerk. Maar die mensen zijn stilaan verdwenen. Nadien pas zijn de Turken en Marokkanen gekomen. Hoe het zit met de integratie ? In het museum zien we de allochtone Lokeraar niet, dat stel ik vast. Ik dacht altijd dat dat ging veranderen met de tweede generatie, maar dat is niet zo.

Diezelfde ervaring hebben we met de stad als we ontmoetingsavonden en dergelijke organiseren. Dat uit zich ook in de huwelijken, dikwijls kiest men een partner uit het land van herkomst.
Ik heb ooit enige tijd met een Turks meisje samengewerkt. Fantastisch meisje, behulpzaam en een goede werker. Op een dag zei ze: ‘Ik zou graag al mijn verlof opnemen, ik zou graag vijf weken naar Turkije op vakantie gaan.’ Toen dacht ik: ‘Zij komt getrouwd terug.’ Niemand geloofde me, en zij zelf ook niet. Maar ik had gelijk. Laat ons eerlijk zijn: dat is geen goede zaak ! Dat zou moeten veranderen. Ik denk dat er een terughoudendheid is  bij zowel de allochtone als de autochtone Lokeraar op dat vlak. Er moet nog veel gebeuren op het vlak van de integratie. ’t Zal goed komen, het moet wel, maar er zal nog veel water naar de zee vloeien.

Hoe ben je zelf eigenlijk zo verstrengeld geraakt in het Lokerse verenigingsleven ?
Tijdens mijn militaire carrière had ik natuurlijk ook verlof,  en weekends vrij. Dat waren de momenten waarop ik me begon te integreren in het Lokerse verenigingsleven. Ik ging graag eens naar het museum, bijvoorbeeld. Het was daar dat Frans De Vos me vroeg of het niet nuttig zou zijn om een Heemkring te starten. Pater Vedastus, toen stadsarchivaris, vond dat een prachtig idee. Dus gingen we van start. Voor het tijdschrift van de kring zou ik me toespitsen op het Lokers dialect en de volksdevotie. Vanaf dan is alles verder gegroeid, werd ik duvel-doet-al in het museum en stadsgids, zette ik me in voor het Lokers toerisme,…. Ik versleet al mijn vrije tijd in het museum, maar toch heeft het zes jaar geduurd eer ik lid mocht worden van de museumcommissie. Dat was nog een vrij elitair gebeuren in die dagen, dat kan je je nu niet meer voorstellen.

Als gids kom je vaak in contact met niet-Lokeraars. Wat vinden die van de stad ?
Ze zijn altijd positief verrast, absoluut ! Soms over kleine dingen, maar vooral over de kerk worden ‘stukken’ gemaakt, over het Molsbroek, de Kruiskapel,… De mensen staan ook versteld over hoe groot onze markt wel is. En dan de Durme die tot in onze stadskern doordringt, prachtig. Ik las het onlangs nog: De Durme snijdt Lokeren in twee, Antwerpen ligt aan de rechteroever van een rivier. Toeristen vinden Lokeren mooi: ze moeten nog maar de stad binnenrijden langs de Sportlaan, weinig steden hebben een dergelijke mooie toegang tot het centrum. Ik beleefde altijd meer deugd, bij wijze van spreken, aan die rondleidingen dan de toeristen zelf. Maar telkens als ik thuis kwam, was ik op. Met hart en ziel dergelijke rondleidingen doen is verdorie vermoeiend. Maar je haalt er ongelooflijke veel plezier uit. Of je nu met een groep architecten of een derde kleuterklas op stap was, dat maakte geen verschil. Aanpassen aan het publiek was de boodschap en dan kon het niet fout gaan.

Ooit een ervaring opgedaan die je nooit zal vergeten ?
Zeker, het was met een leefgroep van Emiliani, het intstituut voor volwassenen met een verstandelijke beperking. We gingen de kerktoren beklimmen. Alvorens we ter hoogte van de klokken kwamen deed ik hen uitkijken voor de zware balken die er hangen. Ze moesten er zich bukken. ‘Dit zijn zeer zware eiken balken’, zei ik tegen die jongens. ‘Hoeveel moeite moet dat niet gekost hebben om die destijds naar boven te krijgen?’ Soit, we klimmen verder en ik zie een van die bezoekers met zijn vingers op een houten balk kloppen. Achteraf kwam die naar mij en zei droogweg: ‘Mijnheer, dat is geen eik, hoor. Dat is es !’
Voor die momenten doe je het !  

*De beuk in de Beukenlaan stond op een stuk bouwgrond in een verkaveling. De kans was dus groot dat de boom plaats zou moeten ruimen voor een woning. Een actiegroep probeerde dit tegen te houden. De stad deed uiteindelijk een perceelsverwisseling met de eigenaar waardoor de boom kon blijven staan.
** Frans De Potter en Jan Broeckaert waren twee heemkundigen die in de 19de eeuw de geschiedenis van de Oost-Vlaamse gemeenten neerschreven in 46 delen.
*** West-Vlaams dialectwoord voor kruiwagen


De beleidsdaad: Een gedenkteken voor Henri Reyns

Mevrouw Pieters, die ons heel de namiddag warm onthaalde, giet ons nog een koffie uit en vraagt bezorgd of hij niet te flauw is. Dat is zeker niet het geval. ‘Neem gerust een chocolaatje’, zegt ze. Op dat moment schiet Marcel een mogelijke beleidsdaad te binnen.  ‘Want’, hadden we hem gevraagd, ‘als jij het in Lokeren voor het zeggen had, wat zou jij dan willen doen ?’
‘In het Belgische leger werden tijdens de eerste wereldoorlog een aantal Belgische soldaten gefusilleerd’, vertelt Marcel. ‘Voor ongehoorzaamheid of het weigeren van een bevel. Dat werd geformuleerd onder één zin: Lafheid in het gezicht van de vijand. Henri Reyns, van Daknam, was de negende en tevens de laatste in de rij van Belgische militairen die voor insubordinatie of desertie in het zicht van de vijand werd terechtgesteld, een triestige eer. Hij vocht eerst rond de streek van Tienen,  maar op een bepaald moment wilde hij dat niet meer. Was hij gepest geweest of kampte hij met psychische problemen  - een shellshock of combat shock ? -, dat kan ik niet uitmaken uit de documenten. Alleszins, hij is gaan lopen. Na drie keer onwettig afwezig ben je in oorlogstijd een deserteur. Toen men hem vond werd hij opgesloten en voor de krijgsraad gebracht die hem veroordeelde tot de doodstraf. Wat moet er in die man zijn hoofd zijn omgegaan ? Die laatste uren,  die laatste minuten ? Albert I weigerde hem de genade. Uiteindelijk werd hij gefusilleerd te Oostvleteren op 17 mei 1915. Het vuurpeloton schoot boven zijn hoofd. Een adjudant, de sukkelaar, is hem uiteindelijk moeten gaan dood schieten.’
En dan komt Marcel tot zijn punt. ‘Daar zou iets moeten aan gedaan worden ! In het Verenigd koninkrijk werden dergelijke gefusilleerden allemaal gerehabiliteerd. Hun namen werden zelfs bijgebeiteld op de oorlogsmonumenten. Vroeger hadden de gefusilleerden de naam lafaards te zijn, maar zelfs als ze gingen lopen wisten ze dat ze dood zouden worden geschoten. Welk voordeel hadden ze er dan bij ? Deze mensen waren psychisch ziek, schellshock bijvoorbeeld als gevolg van de enorm druk in de loopgraven. Waarom zouden wij in Lokeren, op het kerkhof van Daknam, voor Henri Reyns geen gedenksteen plaatsen ?’

(De gedenksteen werd vier jaar na dit interview, in 2015, gerealiseerd, gva)

maandag 15 januari 2018

Omtrent Stravinsky's Vuurvogel

Bewerking van de introductie gegeven
 n.a.v. het Nieuwjaarsconcert 
door de Koninklijke Harmonie Ste-Cecilia Zele
op 14 januari 2018 in De Wiek (Zele) 

Het verhaal van Igor Stravinsky’s Vuurvogel begint bij Sergei Diaghilev. Dat is wel degelijk de man naar wie onze Zeelse balletschool is vernoemd. Maar wie was hij?

Sergei Diaghilev
Diaghilev werd geboren in een rijke Russische familie in Rusland, zijn vader was kolonel bij de Russische cavalerie, maar het familiefortuin was voornamelijk afkomstig van het distilleren van vodka. Diaghilev studeerde rechten in Sint-Petersburg, en volgde tegelijk les aan het conservatorium. Zijn leraar, de componist Rimsky-Korsakov, deed hem zijn droom om componist te worden opbergen wegens ‘te weinig talent’. Het was een harde dobber. Aan  de universiteit kwam Diaghilev in contact met een groepje kunstminnenden, die hem alles bijbrachten over de Russische en de Westerse kunst. Diaghilev zal uiteindelijk één van de meest gerespecteerde leden van het groepje worden. Hierdoor komt hij met  heel veel mensen in contact, en gaat hij aan de slag bij de keizerlijke theaters. Hij mag toneelstukken en balletten produceren. Verder organiseert hij  schilderijententoonstellingen van Russische meesters, onder meer in Frankrijk.  Later volgden concerten met Russische muziek, en leidde hij de productie van Russische opera’s,…

Les Ballets Russes
Dit alles zal uiteindelijk leiden tot de oprichting van zijn eigen balletgezelschap: Les Ballets Russes. Tussen 1909 en 1929 traden de Ballets Russes op in tal van Westerse landen, in een soort van rondtrekkend bestaan, in steeds wisselende samenstellingen, met Diaghilev als constante factor. Het fameuze gezelschap bracht vele belangrijke dansers – denken we maar aan Vaclav Nijinski en Anna Pavlova - en choreografen voort en stond bekend om haar vernieuwingsdrang,  zowel in choreografie, in muzikaal opzicht, als in kostuums en decorontwerp. De Ballets Russes poogden een ‘synthese van alle kunsten’ te zijn: muziek, ballet, literatuur, schilderkunst, mode,… het werd allemaal geïntegreerd. Het Russische element was belangrijk voor Diaghilev. Dat laatste werd aanvankelijk vooral gegarandeerd door de samenwerking met Leon Bakst, maar later ook via de betrokkenheid van andere Russische kunstenaars zoals Marc Chagall. Hij werkte ook samen met niet-Russische ontwerpers. Bijzonder succesvol was bijvoorbeeld de samenwerking met Pablo Picasso voor Saties Parade. Voor het kostuumontwerp werd in de jaren twintig Coco Chanel ingezet. Diaghilev wist kwaliteit dus duidelijk te vinden. Met Matisse en Bracque werkte hij bijvoorbeeld ook samen.

Diaghilev zocht niet alleen kwaliteit voor decors, dansers, en kostuums,… Gedurende het hele bestaan van de Ballets Russes huurde Djagilev vooraanstaande componisten in om werken te schrijven voor zijn ballet en aldus stond hij ook aan de wieg van enkele van de belangrijkste muzikale premières van de twintigste eeuw. Ronkende namen waarmee hij samenwerkte zijn Debussy, Milhaud, Poulenc, Ravel, Respighi, Satie, Richard Strauss en Prokofiev, het kruim van de componistenwereld op dat moment.

Zijn belangrijkste ‘protegé’ was wel degelijk Igor Stravinsky. Zijn eerste grote ballet was l' Oiseau de Feu in 1910. Maar iedereen kent natuurlijk ook wel ‘Le sacre du printemps’ al was het maar omwille van de rumoerige première. Le sacre lokte controversiële reacties uit. Zowel de muziek als Nijinsky's revolutionaire choreografie werden als woest en barbaars ervaren. De première en liep uit op een relletje, maar bevestigde de faam van de ‘Ballets Russes’ als modernistische en baanbrekend-vernieuwend gezelschap , ook op muzikaal gebied.

En nu: De Vuurvogel zelf
Diaghilev had zich een grote uitdaging gesteld: een groot Russisch ballet creëren. Tal van componisten had hij hiervoor voor benaderd, de bekendste was Anatoli Liadov. Liadov was niet van de minste, een groot talent en leerling van Rimsky-Korsakov. Er was slechts één probleem, Liadov legde weinig ijver aan de dag. Liadovs gebrek aan werklust, mede te wijten aan overmatig drankgebruik, was berucht en ging bovendien gepaard met een overmaat aan zelfkritiek en bescheidenheid.
Diaghilev schrijft Liadov en ontvouwt zijn plannen:

‘Ik heb muziek nodig voor een ballet en wel een Russisch ballet, het eerste Russisch ballet want zoiets bestaat nog niet. Er is Russische opera, er zijn Russische symfonieën, Russische liederen, Russische dans, Russische ritmes, maar er is geen Russisch ballet.’

Liadov zegt toe maar na een lange stilte informeert Diaghilev naar de stand van zaken en Liadov antwoordt: ik heb al muziekpapier gekocht. Diaghilev raakt in paniek, onderbreekt de overeenkomst, denkt aan Glazoenov in zijn moeilijke zoektocht naar een Russische componist, maar probeert uiteindelijk bij de piepjonge Igor Stravinsky (27).

Wie was die jonge Stravinsky? Zijn vader was bas in het Mariinskitheater, Stravinsky zelf begon vrij vroeg piano te spelen en deed dat ook goed maar zijn ouders wilden niet dat hij muziek ging studeren. Het werd dus ‘rechten’. Tijdens zijn rechtenstudie ontmoette hij studiegenoot Vladimir, de zoon van componist Nikolaj Rimsky Korsakov. Die was aanvankelijk niet onder de indruk van Stravinsky’s eerste compositiepogingen maar adviseert hem toch om ook naar het conservatorium te gaan en er lessen harmonie en contrapunt te volgen. Op het moment dat Stravinsky’s vader sterft, beëindigt hij zijn rechtenstudies en gaat compositie volgen bij Rimsky-Korsakov die zowat zijn tweede vader  wordt. Op het moment dat Diaghilev Stravinsky contacteert had hij liederen, pianowerken, een paar korte orkestwerken, en een symfonie opgedragen aan Rimsky-Korsakov gecomponeerd. Diaghilev had toen al liederen van hem gehoord en zijn orkestwerken Feu d’artifice en Scherzo Fantastique.
Stravinsky aanvaardt de opdracht, schiet onmiddellijk in gang, en componeert aan De Vuurvogel van november 1909 tot mei 1910. Hij krijgt daar meteen als relatief onbekende componist een hoog honorarium voor. Diaghilev durft duidelijk risico’s nemen.

Het werk werd goed onthaald. Debussy die anders steeds karig is met complimentjes en op dat moment overigens in de clinch lag met Diaghilev bewierrookt het werk. Twee citaten illustreren dit.

‘Stravinsky heeft het over ‘mijn’ Oiseau de feu, zoals een kind over mijn tol, of mijn hoepel. En dat is hij precies: een verwend kind dat soms in de neus van de muziek peutert. Het is een jonge wilde die opzichtige dassen draagt, vrouwen de hand kust en daarbij op hun tenen gaat staan. Oud zal hij onuitstaanbaar zijn, maar voorlopig is hij fantastisch.’

‘De Vuurvogel is niet perfect, maar vanuit een bepaald oogpunt is het ook zeer goed, omdat de muziek niet de slaaf is van de dans. En af en toe hoor je er ritmecombinaties die volstrekt ongewoon zijn. Diaghilev is een groot man.’

De Vuurvogel ging in première op 25 juni 1910 in de Parijse opera. Tamara Karsavina danste de rol van de Vuurvogel, Michel Fokine kroop in de huid van  prins Ivan. Fokine was ook verantwoordelijk voor het scenario. Gabriël Pierné was de dirigent. De Vuurvogel zou het meest populaire werk tijdens Stravinsky’s leven worden, hij noemde het ‘that great audience lollipop’. ‘Het zou van mij een miljonair hebben gemaakt, maar ik ontvang er geen auteursrechten voor’, zegt hij zelf. Stravinsky en geld, dat was overigens altijd een moeilijke combinatie.

Tussen laat-romantiek en expressionisme
Waar stond Stravinsky muzikaal op het moment van De Vuurvogel? Hij was een leerling van Rimsky-Korsakov, en die was op zijn beurt een exponent van de laat-romantiek, van de Russische nationale school. Het is logisch dat Stravinsky’s muzikale taal in die lijn ligt. Die nationale romantiek ging de inspiratie vaak halen in volksliederen en volksdansen, in volkslegenden, in het nationale verleden, in gevoelens van vaderlandsliefde,… In die zin kan De Vuurvogel hiervan als een rechtstreeks afstammeling gezien worden. Het is moeilijk om er de latere antinationalist in te zien. Er wordt al eens beweerd dat De Vuurvogel ‘Opgewarmde Rimsky Korsakov’ is. Dat vind ik persoonlijk bij het haar getrokken. Het gebeurt dan meestal omwille van het contrast tussen een  folkloristische diatonische stijl (voor de menselijke karakters zoals prins Ivan en  de prinsessen) en een chromatische aanpak voor het bovennatuurlijke. Rimsky-Korsakov had dit principe eerder gehanteerd in zijn opera De Gouden Haan.

De Vuurvogel staat zeker al met één been in het expressionisme, de stijl die uitdrukking geeft aan een dionysische roes, een onbeheerste dronken roes, barst van vitaliteit, agressie, levensdrift. We kennen het expressionisme uit de schilderijen van Appel, Corneille, Alechinsky,…:  dionysisch, met felle en onnatuurlijke kleuren, grillige beelden, vervormingen, grof geschilderd, en een verwijdering van het perspectief. In de muziek loopt dit parallel:  timbres, dissonanten, geluidsdensiteit en ritmische structuren halen de bovenhand op melodie en harmonie. De muziek verwijdert zich ook verder van haar eigen perspectief, met name de tonaliteit.

Het balletgezelschap onthaalde de muziek aanvankelijk met ontsteltenis vanwege het gebrek aan melodie, sommigen vonden het zelfs gewoon geen muziek. Anna Pavlova, die oorspronkelijk de rol van de Vuurvogel zou dansen, weigerde: ze vond de muziek te uitdrukkingsloos en te complex.
Stravinski zegt er zelf over: ‘Het is de stijl van de tijd, krachtiger dan de gecomponeerde volksmuziek en niet bijster origineel. Maar dit zijn goede voorwaarden voor succes.’

Het verhaal
Voor het Vuurvogel-verhaal zelf, het scenario, verwijs ik graag door naar https://nl.wikipedia.org/wiki/De_vuurvogel

De suites
Het oorspronkelijke ballet duurde ongeveer drie kwartier,  maar Stravinsky putte er drie orkestsuites uit. Hij schreef de suites in 1911, 1919 en 1945. De harmonie brengt de suite uit 1919. (gva)

Voornaamste geraadpleegde bronnen:
Sjen Scheijen; Sergei Diaghilev, een leven voor de kunst.
Emanuel Overbeeke; Stravinsky in de spiegel van zijn tijd
Cd-opnames (en de bijhorende booklets) door Riccardo Chailly, Esa Pekka Salonen, Yuri Simonov
Wikipedia

woensdag 4 januari 2017

Waarom ik 'Koning van Katoren' aan het lezen ben

Van Jan Terlouw heb ik tijdens mijn schoolgaande jeugd nooit een jeugdroman gelezen. Nu vind ik dat een gemis. Niemand die daar schuld aan heeft, behalve ikzelf, want ik besprak elk jaar van de lagere school en humaniora hetzelfde boek, hoewel de leeslijst een pak langer was dan die ene titel. Dat verhaal deed ik hier al eens.
Momenteel ben ik Terlouws Koning van Katoren aan het lezen.
Dat zit zo.

Enkele jaren geleden kwam van Terlouw, ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag, het boek Hoed u voor mensen die iets zeker weten uit. De titel triggerde een scepticus als ik.
Ik citeer: 'Al vrij lang geleden ben ik tot de overtuiging gekomen dat op geen enkele wezenlijke vraag een definitief antwoord mogelijk is. Dat verontrust me niet, ik vind het eerder geruststellend. Vragen zijn diepzinnig, mysterieus, ze hebben de sierlijke vorm van het vraagteken. Antwoorden zetten het probleem bij in een leerboek, opgelost, afgedaan, opgeborgen. Vragen kunnen steeds een nieuwe vorm aannemen, een nieuw licht werpen op het probleem waaraan ze hun bestaan danken. Antwoorden plegen moord op het probleem.'

Mooi. In dit boek is niet de jeugdauteur maar de oud-politicus (van het Nederlandse D66) aan het woord die wezenlijke vragen durft te stellen - vragen over duurzaamheid, democratie, mensenrechten, welvaartsverdeling - zonder zich er met gemakkelijke antwoorden van af te maken. Hij toont zich een onafhankelijk en analytisch denker die geschoold is als natuurwetenschapper (kernfysicus) en afhaakt zodra een axioma tot absolute waarheid wordt verheven.

Een jaar na het verschijnen van het boek, oktober 2012, verzorgde Terlouw op vraag van denktank Liberales in het Liberaal Archief te Gent de eerste John Rawls-lezing. In zijn toespraak Zij die na ons komen toetste Jan Terlouw de theorie van rechtvaardigheid van John Rawls aan de problematiek omtrent de opwarming en de uitputting van onze aarde.

Daar was ik bij. Een indrukwekkend betoog. (Lees het hier na)
Naar het einde van de afsluitende receptie toe durfde ik het toch aan de man te benaderen en te vragen of hij mijn exemplaar van Hoed u... wilde signeren.
Ik zag een gentleman.

Een man die meteen in zijn vestzak op zoek ging naar een pen, er niet meteen een vond - we wisselden enkel woorden, misschien een paar zinnen - en er uiteindelijk een pracht van een vulpen uit op diepte. (Wie me kent weet dat ik een zwak heb voor mooie vulpennen, een zwakte waar ik gelukkig zelden aan toegeef.) De indruk die de man naliet was omgekeerd evenredig met het beperkte aantal minuten dat we elkaar spraken.

Enkele weken geleden begeesterde Terlouw, toen 85 geworden, miljoenen mensen met een uit het hoofd gereciteerde pleidooi in De wereld draait door. (Bekijk hier het filmpje) Ja, het pleidooi van het touwtje uit de brievenbus. De sociale media gingen overstag. Zijn oproep tot een leefbare wereld, waarin wij zorgen voor de aarde en vertrouwen hebben in elkaar weekte heel wat los.

Het pleidooi verscheen deze week in een boekje*, samen met een interview door Jesse Goossens met Terlouw over zijn beroemdste jeugdroman - die ik voortaan overigens gewoon roman noem. Om koning van Katoren te worden moet Stach, het hoofdpersonage, een aantal opdrachten vervullen. Die uitdagingen projecteert Terlouw in het interview naar onze hedendaagse samenleving. Het zijn proeven waar wij voor staan om de toekomst voor onze jeugd te waarborgen. Een helderder en zinvoller politiek project, neergeschreven in een boekje van amper 50 bladzijden, heb ik nooit gelezen.

En dat is waarom ik nu Koning van Katoren lees, want in de opdrachten van Stach ligt, sinds 1971, zowat het enige denkbare en succesvolle politieke project van de toekomst vervat. (gva)

* Jan Terlouw, Het touwtje uit de brievenbus & Katoren revisited; Lemniscaat, 2016

dinsdag 2 augustus 2016

Het rastrum van Tartini

Voor zover ik me herinner las ik de eerste keer over een rastrum in John Eliot Gardiners boek Bach, muziek als een wenk van de hemel. De vermelding van het eenvoudige toestelletje om notenbalken te tekenen bracht de componist, die een kolossale status geniet en op zijn muziekmanuscripten na weinig tastbaars achterliet, een klein beetje dichterbij, al zullen wel hoofdzakelijk zijn kopiist en en helpers er gebruik van gemaakt hebben.

Muziekmanuscripten en -drukkunst* hebben me altijd gefascineerd en toch ging ik er verkeerdelijk van uit dat componisten in de 17de en 18de eeuw papier gebruikten met voorgedrukte notenbalken erop. Ondertussen weet ik beter, dergelijk muziekpapier werd pas betaalbaar in de 19de eeuw. Derhalve gebruikte men voordien de vijfvoudige pen, het rastrum dus, wat in het Latijn zoveel als hark betekent.

Ik zag er onlangs voor het eerst een in het geboortehuis van de vioolvirtuoos en componist Giuseppe Tartini (1692-1770). Zou hij het gebruikt hebben tijdens het componeren van de sonate in g, Il trillo del diavolo ? (gva)


* In het museum Plantin-Moretus merkte ik een tijdje geleden een zethaak op met prachtige afzonderlijke notentekens in handzetsel. De noot en het stukje notenbalk stonden samen op één loden elementje.

woensdag 27 juli 2016

Bedenkingen vanop een bank in Piran

We genoten in Piran, een oogverblindend middeleeuws en Venetiaans aandoend stadje in Slovenië, op het Tartini-plein van de wegdeemsterende avondzon. Onze bank gaf uit op het historische stadhuis en het standbeeld van de violist-componist die in een betoverend, met muurschilderingen gedecoreerd huis aan datzelfde plein op het einde van de zeventiende eeuw het levenslicht zag.

Tussen het standbeeld en het majestueuze stadhuis voetbalde de lokale jeugd er op los. Twee lantaarnpalen, aan weerszijden van de monumentale hoofdingang van het stadhuis, bakenden één van de twee doelen af.
'Dat zouden de kinderen bij ons moeten proberen', dachten we. 'Tegen het gemeentehuis aan voetballen: omiddellijk een GAS-boete aan je voetbalbroek! Of op zijn minst een ferme verwittiging om onverwijld op te rotten.'

Tartini-plein versus Fonteinhof

Toen in het kader van 1200 jaar Zele het vernieuwde Fonteinhof, het pleintje voor het gemeentehuis met de in hun matrijs gevangen beukenhagen, werd ingehuldigd, zou het dé ontmoetingsplek worden, het levende en kloppende hart van de gemeente. Dat is het niet echt geworden. Er heeft af en toe wel eens een receptie plaats, of een kunstmarkt, maar de dagdagelijkse spontane levendigheid die je soms elders ziet, tref je er nauwelijks.
In 2011 werd het pleintje opgeleukt met een kunstwerk, iets te flink uit de kluiten gewassen petanqueballen. En natuurlijk begrijp ik de verwijzing naar Frankrijk, waar men samenkomt om een balletje te gooien. Maar net door dit kunstwerk op deze plek neer te zetten verloor het Fonteinhof zijn sociale functie volledig. Nu is er zelfs geen plaats meer voor een orkestje. Jammer. Want werd er destijds niet aangekondigd dat onze Zeelse korpsen er regelmatig op uitnodiging van de gemeente een concertje zouden geven?

Mogelijk enthousiasme werd overigens kort na de inhuldiging van het plein al onverlet de kop ingedrukt door borden te plaatsen met de niet mis te verstane melding dat skaters best andere oorden opzoeken. Rond die tijd mocht je in het park Peeters ook niet tegen een bal sjotten.
Waarom niet, eigenlijk?
Ik zal het u zeggen: kneuterigheid.

Pietluttig

Met het verbieden van flippo's in een chips-zakje in het midden van de jaren '90 heeft de truttigheid en de betutteling zich, zoals ik het me voorstel althans, in de politiek genesteld. Sindsdien wordt ons, boudweg gesteld, vanalles verboden om ons groot onheil te besparen, om anderen niet te storen, om geen aanstoot te geven, sindsdien lijkt de politicus het denkvermogen van de burger enorm te wantrouwen, denkt de politicus in onze plaats, wordt alles tot in het absurde toe in pietluttige regels gegoten en voorgekauwd en kan je een GAS-boete aangewreven krijgen voor belleketrek. Dat je in Slovenië ten allen tijde in alle openbare wateren, op eigen risico weliswaar, kan en mag zwemmen vind ik daarentegen een verfrissende gedachte. Je wordt tenminste geacht verantwoordelijkheid te kunnen nemen en voor jezelf te kunnen instaan.

Onkruid

Diezelfde avond in Piran vernam ik via een Facebook-bericht de oprichting van de éénmans-onkruidpolitie in Zele.
Ik viel haast van mijn bank.
Over de inhoudelijke kant, waarom we zo nodig al het natuurlijke uit onze omgeving willen weren in het voordeel van asfalt en synthetische geuren - om maar iets te noemen - moet ik het misschien in een andere blogpost hebben. Maar, het moment dat een politicus de baan optrekt om elke inwoner te wijzen op een mogelijk onkruidje op de stoep of tegen de gevel, is de balans tussen kleinsteedse betutteling enerzijds en het gezond vertrouwen in het individu anderzijds compleet de verkeerde richting doorgeslagen. (gva)

woensdag 17 februari 2016

Fidelio, brood voor kinderen én volwassenen

Gregie De Maeyer liet ooit optekenen: 'Je bakt een brood toch ook niet óf voor een kind, óf voor een volwassene.' Geschilderd op een muur in Het Paleis, het Antwerpse theaterhuis voor kinderen en jongeren, ken ik de context van het citaat niet, maar ik vermoed dat hij doelde op het kunstmatige onderscheid tussen literatuur voor volwassenen en jeugdliteratuur. Zijn standpunt houdt steek, natuurlijk. Ik (her)lees Roald Dahl nog steeds met enorm veel genoegen en, omgekeerd, in mijn schooltijd besprak ik in het zesde leerjaar, het eerste, tweede en vermoedelijk ook het derde jaar van de humaniora De Witte van Ernest Claes. Het moge duidelijk zijn: lezen deed de puberende Giovanni nog niet echt graag, maar van De Witte was ik helemaal weg. 

In het operagenre ligt dat toch even anders. Weinig kinderen zullen een urendurende Wagner licht verteren. Daar zal op zijn minst enig geschuifel op de stoel mee gepaard gaan. Het genre vraagt een bewerking voor het jonge grut. Judith Vindevogel van muziektheater Walpurgis weet dat. Zij maakte eerder een bijzonder gesmaakte operavoorstelling voor kinderen rond prinses Turandot. Onze kinderen hebben het daar, jaren nadien, nog vaak over.

Vindevogel snoeit in het aantal personages/zangers, de verhaallijnen worden tot een makkelijker begrijpbare essentie teruggebracht, in de tijd wordt de opera beperkt tot een 45-tal minuten en het orkest wordt gereduceerd tot een multi-instrumentalist of een pianist.
Daarmee gebeurt het.
In een klein zaaltje waar de actie plaatsgrijpt tussen het publiek, waar de zangers zich tussen het publiek begeven. Dat laatste is formidabel. Als een operazanger of -zangeres op amper een meter afstand een aria zingt, dan voel je dat tot in je kleinste teen. De muziek, uiteindelijk een ordening van frequenties, wordt fysiek heel voelbaar. Een terzet, met links, rechts en voor jou een zanger, is een surround-ervaring die geen gelijke kent. Dat blaast je gewoon omver.

Vandaag gingen we in Het Paleis naar Judiths Vindevogels bewerking van Beethovens Fidelio kijken en luisteren, een aangrijpende voorstelling. De grote thema's van de opera - vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid, machtswellust,... - bleven overeind. Humor, romantiek, het was allemaal aanwezig. Maar de voorstelling was geenszins vrijblijvend. Bijwijlen confronterend. Toen de uitgemergelde Florestan uit zijn kerker werd bevrijd, waarin hij opgesloten zat omwille van zijn idealen, hield minstens één klein Van Avermaetje het niet droog, mama en papa overigens ook niet. De bewerkte Fidelio: brood voor kinderen én volwassenen dus.

Op de terugweg van Het Paleis naar het centraal station bleef het de eerste 15 minuten héél stil. Dan weet je: in dat kleine zaaltje is iets heftigs gebeurd. Rune verbrak de stilte. 'Mama, papa', zei hij, 'ik ben blij en droevig tegelijk. Blij omdat het zo ongelooflijk mooi was. Maar ook droevig: mensen doen mekaar veel te veel lelijke dingen aan. Dat moet maar eens gedaan zijn!' (gva)