donderdag 22 augustus 2024

Dvořák e.a. op BBC Proms: 'Kleuren, klankmassa's, magistrale spanningsopbouw'

Op 18 augustus zakten Rune, ikzelf en duizenden anderen, waarvan het merendeel jongeren, af naar de Londense Royal Albert Hall voor Prom 38 van dat jaar, iets waar we enorm naar uitkeken. Alleen al om deze legendarische zaal van binnenuit te bewonderen. Er een klassiek concert in meepikken met de zevende symfonie van Antonin Dvořák was ons nec plus ultra.

The Ulster Orchestra en dirigent Daniele Rustioni maakten dat feest compleet. Ze openden met Busoni's Comedy Overture. Nu, van Busoni, moet ik toegeven, kende ik geen enkel werk. In de Comedy ouverture beweegt de componist zich heen en weer tussen het rationele van het neoclassicisme en mengt dit met verwijzingen, niet meer dan dat, naar de romantiek. Dit werk maakte ontegenzeglijk helder waar dit orkest in uitblinkt: forse contrasten, en spanningsbogen die je op het puntje van je fluwelen stoel doen zitten.

Het tweede werk was het vierde pianoconcerto van Beethoven, met aan de toetsen Francesco Piemontesi. Een mooi driedelig werk - allegro, andante, rondo - dat heel populair is onder de pianisten. Piemontesi cadenste er op los, het orkest in een nu eens spitse, dan weer bijzonder cantabile Beethoven-modus. We namen dit alles in ontvangst en genoten.

Sussex Landscape van de twintigste-eeuwse componiste Avril Coleridge-Taylor opende het tweede deel. Sussex Landscape, een symfonisch gedicht, werd direct na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 geschreven en bevat een veel somberdere en desolate sfeer dan wat het publiek doorgaans associeert met het idyllische platteland. Het groeide uit tot een zeldzaam voorbeeld van een 'oorlogswerk' dat door vrouwen is gemaakt en ingaat tegen de 'huiselijkheid', hét etiket dat destijds op composities van vrouwen werd gekleefd, of moest kleven.

Dvořáks zevende dan! Het klapstuk. Het ging ooit in première in de Londense St.-James Hall en wordt als zijn grootste symfonie beschouwd, ook al is de negende veel populairder. De zevende is Brahmsiaans, een pak donkerder ook, in een voetnoot bij de trage beweging refereert Dvořák naar 'the sad years' waarin zijn moeder en oudste kind overleden. Maar de symfonie houdt ook verband met de politieke onrust onder de Tsjechen, ze verklankt de mogelijkheid om koppig verzet te bieden tegen de verdrukker. En ja, wat een werk: deze compositie is het werk van een toparchitect. Klanken die oprijzen als kathedralen. Kleuren, klankmassa's, contrasten, magistrale opbouw naar hoogtepunten, The Ulster Orchestra weet er raad mee. En hoorns, hoorns, hoorns. Dvořák en Rustioni brachten ons beiden in een roes. Zo begeesterend was deze zevende.

Een avondje Proms in The Royal Albert Hall, doe het gewoon als je er toevallig bent of neem de Eurostar. Voor de ticketprijzen moet je het alvast niet laten. Koorcomponist Eric Whitacre staat er binnenkort op het podium en wat hij eergisteren op zijn Facebookpagina schreef kan ik enkel beamen: "It’s hard to describe the majesty of the Proms festival, which presents over 100 concerts for two months every year. It takes place in London’s Royal Albert Hall, which can hold over 5,000 people, and everyone with a floor ticket gets to stand through the entire performance, almost like a rock concert. Those who get there early enough can literally rest their elbows on the front of the stage. There is really nothing like it — intimate and epic at the same time. (...) If you can make it in person, I can’t recommend it highly enough. The atmosphere of the festival, the hall, and the exceptional performers make the Proms a memory that will last a lifetime." 

Het concert is via deze link
te herbeluisteren:

Giovanni

donderdag 8 augustus 2024

'De wonderbaarlijke reis' van Mendoza: "Bijzonder vernuftige roman"

'De wonderbaarlijke reis' van Eduardo Mendoza is een bijzonder vernuftige roman. Het boek vertelt het verhaal van de filosoof Pomponius Flatus - ja, je lacht altijd wat af met Mendoza - die in de eerste eeuw van onze jaartelling in Nazareth terechtkomt, waar een timmerman op het punt staat ter dood gebracht te worden. Jezus, diens zoon, benadert Pomponius en vraagt hem de ware toedracht van de moord te achterhalen want hij gelooft in de onschuld van zijn vader.

Wat volgt is een messiasverhaal - en tegelijk ook weer niet - verpakt in een detectiveroman. Niet zozeer het detective-aspect of de daden van de speurder zijn spitsvondig, wel de hele opbouw van het boek, waarbij alle personages - je bent je daar in het begin van de roman als lezer gezien de absurditeit van het uitgangspunt helemaal niet van bewust - naar het einde toe heel organisch in hun gekende 'historische' rol vallen. In die zin is 'De wonderbaarlijke reis' een soort van prequel op het nieuwe testament.

'Aan de eerste plicht van een vrouw van lichte zeden, namelijk beschikbaarheid, voldeed die van ons niet, want ze was niet thuis.'

Wel een bijzonder grappige prequel. De scherts van Mendoza, ik ben er al lang verzot op. Die is zo divers als de tomatenplanten onder mijn afdak. De humor is vaak terloops, wat hem onweerstaanbaar maakt. Regelmatig is die fijnzinnig, soms minder geraffineerd, soms ook plattekes. Een verrukkelijke mix. Het helpt als lezer wel als je je gewijde geschiedenis nog een beetje kent, en vertrouwd bent met de Griekse en Romeinse mythologie en literatuur.

Het boek gaat soms dieper. Met dezelfde terloopsheid als zijn humor raakt Mendoza thema's aan zoals wel of niet geloven, religie versus wetenschap... Nooit op een hoogdravende, aangekondigde of breedvoerige manier. Maar ineens denk je: 'Wat die Pomponius hier uitklavert, verdorie, dat is iets om te onthouden!'

Lezen, zou ik zeggen, deze literaire reis is amusement van het bovenste schap.

Giovanni

maandag 5 augustus 2024

Bij het lezen van 'Bechamel mucho'

'Bechamel mucho' heet het laatste boek van Dimitri Verhulst. De titel is even onnozel als hilarisch, daarmee is alvast de toon gezet.

Het boek vertelt een toeristisch seizoen, en wat daaraan voorafging, uit het leven van Alex. En Alex' pad, dat liep niet over rozen. 
Ooit stampte hij een kaasbedrijf uit de grond, dat een uitzonderlijk type kaas produceerde (Hetwelke? Lees het boek!) Hoe geniaal hij zijn idee zelf ook vond, de zaak ging over de kop. 
Dat Alex kaas maakte en aan de man bracht is geen toeval. Wie in de Nederlandse literatuur een stumperd wil neerzetten, plaatst die best binnen de kaasnijverheid. Met succes, kijk maar naar Frans Laarmans in Elsschots novelle 'Kaas'.
Ik begrijp dat ook. Alleen al de klank van het woord. 'Kaas.' Het klinkt lullig, geef toe. Niet alleen in het Nederlands: Reginald Cheese, vader van John, liet zijn familienaam niet voor niets veranderen in Cleese. Cheese vond hij té genant. Het product, ook al is het lekker, er hangt een ongemakkelijk luchtje aan.

Glans 
Goed, na zijn kaasavontuur gaat Alex aan de slag als animator in een all inn-hotel. De lezer ziet een hele resem personages voorbijdraven in het resort, allemaal trefzeker, psychologisch doordacht neergezet. Maar Verhulst doet dat zonder enig mededogen. Het glanslaagje dat onze nietigheid omhult en waar we tijdens onze luxevakanties op teren krabt hij er helemaal af. Zonder genade. Dat is in de eerste plaats enorm vermakelijk en onweerstaanbaar grappig. Zelfs al herken je jezelf er bij momenten in. 

Verhulst schuwt daarbij de maatschappijkritiek niet. Hij hakt met de botte bijl op de zeer actuele samenleving in.

Als lezer lach je je van de ene naar de andere pagina, en toch is het in wezen een heel donker boek. Ook dat begrijp ik: je mag de meest overtuigde humanist zijn en geloven in de onbegrensde mogelijkheden van de mens, wat we er bijwijlen maar van bakken doet neigen naar misantropie. 

Onze nietigheid, ons mislukken, we ontkomen er niet aan.
We kunnen er dus maar beter mee lachen, en ons intussen - Alex indachtig - een beetje amuseren.

Giovanni

donderdag 23 mei 2024

'Ongeëvenaarde, speelse en groteske roman'

Ooit op vakantie in Pineda de Mar, was ik er een heel eind in opgeschoten. In 'De Stad der wonderen' van Eduardo Mendoza. Nadien is het om niet langer te achterhalen redenen een tijd blijven liggen. Niet omdat het boek niet goed was, au contraire.

Enkele weken geleden begon ik er opnieuw in, en na uren leesplezier, heb ik het bijna uit. Wat een elysische roman is dat. Het boek vertelt het verhaal van Onofre Bouvilla, een jongeman van 14 die van het Catalaanse platteland naar de stad emigreert. Meer nog dan Onofre speelt het Barcelona tussen de twee wereldtoonstellingen van 1888 en 1929 de hoofdrol in het boek. Beiden evolueren gelijklopend. Onofre ontpopt er zich op allerlei bedenkelijke manieren tot de meest belangrijke en rijke man, parallel met de groei van de stad. En Mendoza maakt Barcelona tot dé wereldmetropool. Wie Onofre daar, behalve zijn vreemde snuiters van tegenspelers allemaal tegen het lijf loopt, het zijn niet de minste: de tsarina, Picasso, Raspoetin... Mendoza beschrijft hun aanwezigheid als historische gebeurtenissen met een encyclopedische precisie, maar hij neemt de lezer in het ootje. Een wel vaker geciteerd fragment in deze context is het volgende:

Na de Phoeniciërs kwamen de Grieken en de Layetanen. Van het verblijf van de Grieken zijn sporen van handwerk gevonden, aan de Layetanen hebben we volgens etnologen twee specifieke kenmerken van ons ras te danken: de neiging van de Catalanen om het hoofd schuin naar links te houden wanneer zij doen alsof zij luisteren en, bij de mannen, de aanleg tot weelderige haargroei in de neusgaten.

Bij de onwaarschijnlijke en van de pot gerukte passage verder in het boek over Mata Hari in haar Rolls-Royce had hij me pas écht goed liggen.

Deze Rolls-Royce, die wonder boven wonder bij deze gebeurtenis geen schade opliep, is vandaag de dag nog te bezichtigen in het kleine Musée de l' Armée in Rouen.

Het internet en een mailtje naar de toeristische dienst bevestigden: er bestaat geen Musée de l' Armée in Rouen en van een Rolls-Royce is er ook geen sprake. 'Il semble que monsieur Mendoza ait créé un musée fictif pour son roman.'

De auteur moet hem met dit soort mesjokke, halfgare spielereien rot hebben geamuseerd. En dat doe ik als lezer ook, in deze ongeëvenaarde, speelse en groteske roman, die voortdurend balanceert op de grens van werkelijkheid en fictie.

Giovanni

vrijdag 15 maart 2024

Gershwin, ster van de jetsetfeestjes

‘I never forget a face, but in your case I'll be glad to make an exception.’ 

Het is één van de vele beledigingen die Groucho Marx onsterfelijk maakten. Enkele weken geleden herbekeek ik de films van The Marx Brothers, die ik in mijn studententijd leerde kennen en waarvan ik op slag wild werd. De dialogen uit deze jaren ’30 zwartwitfilms zijn zo snedig en absurd dat ze op geen enkel moment gedateerd lijken, integendeel.

Als ik iets lees, bekijk of beluister dat ik heel goed vind, ontpop ik me al snel tot een verbazingwekkende nerd en begin ik maniakaal wetenswaardigheden op te snorren. Tijdens dat surfen kwam ik heel vaak George Gershwin tegen. Laat dat nu net, per ongelooflijke hasard, de componist zijn waaraan het komende nieuwjaarsconcert* wordt opgehangen. 

Groucho, onherkenbaar zonder zijn iconische opgeschilderde snor en wenkbrauwen, en één van dé sterren van de Amerikaanse cinema op dat moment, had – de reden wordt straks duidelijk - graag een pianist in zijn buurt, en zeker tijdens feestjes met de jetset. George Gershwin bijvoorbeeld. De Marx- brothers én de Gershwin-broers (George en Ira, de tekstschrijver) hadden samengewerkt met dezelfde scenaristen/librettisten George Kaufman en Morrie Ryskind. In die context hadden ze elkaar leren kennen. Ze schoten goed met elkaar op, ze deelden dezelfde interesse voor muziek, omarmden dezelfde humor en frequenteerden dezelfde partijtjes.

Gershwin, die nooit trouwde, leerde er de actrices kennen uit de Marx Brothers-films: Margaret Dumont, de belangrijkste tegenspeelster van Groucho die in zowat alle films diens onophoudelijke stroom aan beledigingen incasseert, en Kitty Carlysle, operazangeres en ster van de kaskraker ‘A night at the opera’. George had dates met beiden rerwijl hij eigenlijk achter Paulette Goddard aan zat, de toenmalige partner van Charlie Chaplin. Toegegeven, smaak had hij wel.

Maar terug naar die feestjes van Groucho. Gershwin speelde hele nachten door op de piano, bij het minste werd hij uit zijn tent gelokt en begon hij eraan. In die mate zelfs dat Groucho bij een bepaalde gelegenheid enkel zijn broer Ira Gerhswin uitnodigde zodat het niet leek alsof hij George alleen maar uitnodigde om de andere gasten te vermaken. Gershwin pikte dit niet, kwam onuitgenodigd naar het feest en het vervolg laat zich raden. Uit de mond van Groucho: 'He’d drop by, sit down at my piano, and stay there playing all night.’ 

Hoe dat er toen aan toeging beschrijft Richard Rodgers, de componist van ‘The Sound of Music’. ‘Als hij optrad was George één grote brok adrenaline. Hij was een party-animal en kon uren aan een stuk entertainen door te improviseren op thema’s die door de gasten werden aangebracht, of door eindeloos variaties te spelen op zijn eigen melodieën. Daarenboven was hij een groot verteller, een getalenteerd danser en een buitengewoon acteur. Hij hield ervan om de ster van de avond te zijn.’

Gisteren, dinsdagavond.

We repeteren ‘Stillness’ van Tom Davoren voor het concert op 3 mei in Berlare, een werk opgedragen aan vliegenierster Amelia Earheart, die als eerste vrouwelijke piloot de Atlantische oceaan overstak. Ik kom thuis en check mijn Facebook. Er duikt een foto in mijn tijdlijn op van Earheart samen met Harpo Marx, de stilzwijgende harpspelende brother. Harpo zette ooit ‘I got rythm’ van Gerhswin op plaat.

Alles hangt samen met alles. 
Dat wisten de Stoïcijnen al.

* Nieuwjaarsconcert, zondag 12 januari 2025, 11 uur, De Wiek
** Expeditie, vrijdag 3 mei 2024, CC De Stroming, Berlare. Tickets: https://beleefberlare.be/expeditie

zondag 14 januari 2024

Over de tango

Nieuwjaarsconcert 14 januari 2024 | Koninklijke Harmonie Ste-Cecilia Zele
Inleiding 'Red shoe danceries'


Tijdens mijn studententijd leerde ik de tango kennen. Niet zozeer de dans, maar wel de muziek. Dat is ongeveer dertig jaar geleden, en ik ben er altijd blijven naar luisteren. Vooral naar Astor Piazzolla dan, wat hij met het genre heeft gedaan is ronduit verbluffend. Over hem heb ik veel gelezen, maar met zijn muziek zitten we al in een heel laat stadium van de tango. Piazzolla overleed in 1992, hij behoort tot de zeer recente geschiedenis. Straks meer over de man. Over de vroege geschiedenis van de tango, laat staan het ontstaan ervan was ik veel minder op de hoogte. Daar ben ik de voorbije maanden naar op zoek gegaan, en geloof me, het is ingewikkeld. Maar ook boeiend. Ik zal het tangoverhaal in dit korte tijdsbestek een beetje gestructureerd uit de doeken proberen doen en een paar misverstanden de wereld uit proberen te helpen.

Geografisch is het vrij eenvoudig. De kiemen van de tango liggen in Zuid-Amerika, aan de oostkust, aan de deltamonding van de Rio de la Plata in de Atlantische oceaan, meerbepaald in de havensteden Buenos Aires en Montevideo, respectievelijk Argentinië en Uruguay.

Op sociaal-demografisch vlak is het een ander paar mouwen, maar wezenlijk voor een begrip van de tango. Argentinië werd  oorspronkelijk en nog tot een eind in de negentiende eeuw bevolkt door kleine geïsoleerde gemeenschappen, honderden indianenstammen (Araucanos, Querandies, Guaranies, Pampa’s, Diaguita’s, Ranqueles, ...) Grote volkeren zoals de Inca’s en de Maya’s elders op het continent heeft Argentinië niet gekend.
Wat wel gelijk loopt is het feit dat het grondgebied onder de voet werd gelopen door de Spanjaarden en door hen gekoloniseerd. Tot 1810, het moment waarop de Criollos, de in Zuid-Amerika geboren nazaten van de Spanjaarden, genetisch ook al vaak vermengd met de oorspronkelijke bewoners, zich losscheuren van Spanje en de onafhankelijkheid uitroepen. Het samenleven verloopt een hele tijd harmonisch tussen die oorspronkelijke bewoners, de criollo’s en de afstammelingen van de uit Afrika afkomstige slaven die eerder het land waren binnengebracht. In 1852 komt daar verandering. Verlichte liberalen komen aan de macht en willen net die tegenstrijdigheden in die sociaal-historische werkelijkheid opheffen. Het volkskarakter moest wijken voor de opmars van het Europese kapitalisme. Om dat doel te bereiken werden onderwijzers en onderwijzeressen uit Europa en Noord-Amerika aangetrokken. Het onbeschaafde beest werd aangevallen, en het licht zou zich in alle lagen van de sociale hiërarchie moeten verspreid worden. In de grondwet werd opgenomen dat immigranten van waar ook ter wereld zouden worden opgevangen. De realiteit was minder idyllisch, de voorwaarden om tot het land toegelaten te worden waren enorm streng. Aan een Afrikaans land bijvoorbeeld werd nooit een immigratievergunning verleend, men mikte op inwijkelingen vanuit het geïndustrialiseerde Noord-Europa. Maar die kwamen niet. Wel kwam men massaal uit de plattelandsgebieden van zuidwestelijk Europa, uit het Rijngebied, het Middelandse Zeegebied en Frankrijk. In 1910 telde Argentinië meer buitenlanders dan oorspronkelijke bewoners. Hetzelfde effect voltrok zich in Chili en Uruguay. Al die mensen moesten gehuisvest worden en dat werd een gigantisch probleem. Een deel van het volk dat door de liberale ideologie werd gefnuikt en zich niet kon uiten, criollo’s en gringo’s (niet-Spaanse immigranten die niet echt de verwachtingen van de heersende klasse invulden) hokten samen in de conventillo’s, huurkazernes die oorspronkelijk enkel de zwarte bevolking toebehoorden. Je kan je voorstellen dat een boer uit de Franse midi zich niet echt gelukkig voelt als het buitenleven zich beperkt tot de patio van het huurappartement. Zij maakten samen muziek, en dat was niet de muziek van de heersende klasse, dus zeker geen polka’s of walsen. De conventillo’s huisvesten een verwaarloosde bevolking die probeerde te overleven in een door een oligarchie geregeerd land. Geen wonder dat zich dit uit in hun muziek. De basis van die muziek werd gelegd door de trommelritmes van de Afrikanen. Hun muziek werd in Argentinië tot de komst van de liberale heersers gedoogd in de missen, maar ook tijdens het carnaval. Nu kwam die naar boven in de huurkazernes waar ze net zoals de anderen een teruggetrokken leven leidden. Een langzame bewerking van die Afrikaanse ritmes op de instrumenten van de Spanjaarden en de gringo’s, gitaar en mandoline, zullen tot de tango leiden door een vermenging met het geliefkoosde genre van de Spanjaarden, de criollo’s en gaucho’s: de milonga (oorsprong in percussie van de Afrikanen in Z-Amerika, de candombe, op vihuela en gitaar). En niet te vergeten: de habanera, in oorsprong een contradans, die door Franse hovelingen in Cuba werd geïntroduceerd, daar door zwarte slaven werd opgepikt en tot in Argentinië werd gebracht. Die habanera zal voor het typische tangoritme in de bassen zorgen. De dans waarbij de partner bij de taille wordt vastgenomen ontwikkelt zich ook daar. De herkomst van het woord tango zelf, men is er niet uit. Er wordt vaak verwezen naar de Spaanse of quechua-woorden tanir en tambor, die verwijzen naar trommelen. Maar plausibeler blijkt een Afrikaanse herkomst te zijn. Een Afrikaans woord dat gesloten ruimte betekent, en duidt op plaatsen waar zwarte slaven werden opgesloten, zou verbasterd kunnen geweest zijn tot tango. Ik verwees ook al naar de Afrikaanse mythologie: de god van de donder heet daar Shango en die wordt ook vaak met het bespelen van trommels geassocieerd.


Maar goed, de mythe dat de tango in de bordelen van Buenos Aires is ontstaan kunnen we dus naar de prullenmand verwijzen. De plek waar de tango gistte is wel degelijk het conventillo. Van daaruit verspreidde hij zich uiteraard wel naar de danszalen en de bordelen. In die bordelen overigens kwam de middenklasse en de hogere klasse er mee in contact. Hij werd toen meestal gespeeld door een trio van viool, fluit en gitaar. In zijn puurste vorm was de tango instrumentaal. Maar hij werd eveneens gezongen, vaak met eenvoudiger teksten. De man die de gezongen tango tot een hoogtepunt zal brengen is Carlos Gardel. Hij weet de bevolking te raken met rake teksten die de sociaal-culturele ziel raken. De mythe Gardel neemt een ongelooflijke vlucht als hij op het toppunt van zijn roem omkomt tijdens een vliegtuigongeluk.

Iets anders, hoe zit dat dan met de bandoneon? Van dat instrument was dus oorspronkelijk geen sprake. Het instrument bedient zich van een blaasbalg zoals een accordeon en werd in 1835 ontwikkeld door de Duitser, ik verzin het niet, Heinrich Band. Bedoeling was bij openluchtmissen het orgel te vervangen en tevens om gebruikt te worden bij feesten. Het instrument was compact, woog niet veel, maar had toch de majestueuze klank van een orgel. Het verhaal gaat dan een Duitse matroos zijn instrument in Argentinië verkocht om te kunnen drinken. Alleszins, meerdere instrumenten belandden in de conventillo’s. Daar verbond één van hen, de mulat Pardo Sebastian Ramos Mejia de tango met de bandoneon. De fluwelen, ietwat droefgeestige klank van het instrument, met uiteindelijk 38 toetsen in de zangkast en 33 in de baskast, leende zich uitstekend voor het genre. ’t Is overigens een wonderlijk instrument: duwen of trekken aan de blaasbalg genereert andere tonen. Dit in combinatie met de toetsen die voor een leek niet logisch gepositioneerd lijken maken het een moeilijk instrument om aan te leren.  

We verlaten Zuid-Amerika en trekken naar Parijs. Van daaruit, en wel degelijk vanuit de bordelen en nachtclubs, zal de tango de wereld veroveren. Hij werd binnengebracht door zeelieden die in Marseille aan wal gingen, maar ook door cocaïne- en vrouwenhandelaars. De tango werd in Frankrijk geïntroduceerd als erotische koopwaar. Het wordt duidelijk: zonder de zeeën zou er van tango geen sprake zijn. De acteur Rudolph Valentino leerde in Frankrijk de tango dansen en bracht het over naar het witte doek. Igor Stravinsky en Kurt Weill lieten er zich door inspireren voor hun muziek. En dan gaat het ineens snel naar Berlijn, Wenen, New York en Tokyo. Op dat moment lijkt ook de hogere aristocratische klasse in Argentinië gewonnen voor de tango.

Op dat moment beginnen ook de tango-orkesten zich in Argentinië te ontwikkelen. Lange tijd werd hij gespeeld door gewone mensen, portenos, uit de havenstad. In het begin van de 20ste eeuw gooien beroepsmuzikanten zich op het genre. Het orquesta tipica ontstaat Een piano en een bas zorgen voor het strakke onderliggende ritme, bandoneon en violen concentreren zich op de zangerige melodie. Dat contrast heeft onze dirigent Bart onze harmonie tijdens de repetities er goed ingelepeld. Orkestleiders zoals De Caro, Fresedo en Pugliese verruimen het orkest nog meer: ze halen de mosterd bij jazzbands, introduceren de polyfonie in de tango en heel wat nieuwe technieken, bijvoorbeeld bij de viool strijken met de houten kant van de strijkstok,… Hannibal Troilo werkt met vier violen, piano, bas, vijf bandoneons, altviolen en cello’s. Dat had natuurlijk ook te maken met het feit dat grotere zalen met klank moesten worden gevuld en de tango de concertzaal bereikte. Hij voegde ook een arrangeur als extra muzikant toe. De arrangeur speelde niet maar moest harmonie en eenheid brengen in het orkest op basis van de klankkleuren van de instrumenten.

Heel kort: rond 1925 begon het verval, de cinema begon de cabarets te vervangen. Er kwam nog een heropleving tijdens de tweede wereldoorlog omdat Argentinië een mediadecreet had uitgevaardigd dat stelde dat er minstens voor 50 procent aandacht moest zijn voor nationale muziek. Dat werd nog even een gouden tijdperk. Na de oorlog veranderde de smaak en werd de culturele hegemonie van Noord-Amerika en Europa dominant.

Dat is buiten Astor Piazzolla gerekend. Hij werd in 1921 in Mar del Plata, Argentinië, geboren, als kleinzoon van Italiaanse immigranten. Op vierjarige leeftijd trekt het gezin naar New York om het geluk te beproeven. Vader Vicente ziet er in een etalage een bandoneon liggen, het roept herinneringen aan Argentinië op en hij koopt hem voor zijn achtjarige zoon die er ook lessen begint te volgen. Op zijn negende heeft hij al een opname op zijn naam. Hij volgt in New York verder piano bij een leerling van Rachmaninov, Bela Wlda. Niet onbelangrijk want Piazzolla leerde bij hem de muziek van Bach kennen en waarderen, die later als inspiratie zal dienen voor zijn muziek. Wilda moedigde hem zelfs aan om Bach op bandoneon te spelen. Straks speelt de harmonie La muerte del angel, dat werk begint met een fuga die heel sterk aan Bach reminesceert, maar ook op en top tango is. Die polyfonische structuur van Bach, het doen samenklinken verschillende melodielijnen waarvan de fuga één vorm is neemt Piazzolla gretig over. 

I discovered music when I was eleven years old. The apartment building where we lived in New York City was very big. In the back there was a hall and a window. One summer afternoon I was hanging out, without much to do, and I heard a piano playing Bach, although that was something I learned later.

At that age I didn't know who Bach was, but I felt as if I had been hypnotized. It is one of the great mysteries of my life. I don't know if it was Johann Sebastian Bach or one of his sons. I believe I have bought all Bach's recorded works, but I could never find that music again. That pianist practiced nine hours a day: three hours of technique in the morning, three hours of Bach in the afternoon, and three at night, trying out repertoire for his concerts. He was Hungarian. His name was Bela Wilda, and soon he became my teacher.

My father and I went over to knock on his door. I'll never forget that moment. I was dazzled by the grand piano and the Camel cigarettes he smoked, which gave out a deep tobacco smell. Neither my parents nor he had much money. We had common problems. So I started studying with my teacher thanks to an arrangement: my mother gave him free manicures and twice a week would send him an enormous bowl of pasta. Hunger also knocks at the doors where good music is heard. I never went hungry, I was that lucky, but I know a lot about going around without a nickel in my pockets.

In New York houdt de jonge Piazzolla enorm van de muziek van George Gershwin en Cab Calloway. Nog een belangrijk ontmoeting in New York: de grote Carlos Gardel waar ik het al eerder over had. De dertienjarige Astor speelt een klein rolletje in een van zijn films als krantenjongen. Later zal hij de zanger ook eens begeleiden op bandoneon. Gardel vraagt hem om mee te gaan op toernee, maar als minderjarige kan dat niet, hij kan de benodigde documenten niet verkrijgen. Al bij al een geluk, want anders had hij mogelijk de vliegtuigcrash ook niet overleefd.
In 1936 keert de familie terug naar Mar del Plata. Piazzolla trekt naar Buenos Aires en begint er in verschillende tango-orkesten te spelen. O.a. bij Vardaro die later zijn violist zou worden maar ook bij Hannibal Troilo als bandoneonist. Zijn eerste concert met hem als invaller speelde hij zonder partituur. Hij werd ook de arrangeur van het orkest, maar kwam al snel in conflict met Troilo. Piazzolla kon het experimenteren niet laten, hij zat ondertussen ook op een heel hoog niveau door bij klassieke musici te studeren, bij Alberto Ginestera bijvoorbeeld, een componist tussen neoklassiek en expressionistisch, met veel nationalistische Argentijnse invloeden. Op een bepaald moment gooit hij het over een andere boeg en begint zowel de jazz, de muziek van Stravinsky en Bela Bartok te bestuderen. Maar het is de leermeester van Stravinsky, Nadia Boulanger, bij wie Piazzolla via een beurs een tijd in Parijs mag studeren die hem terug op het tango-pad zet. “Ik hoor Stravinsky, Bartok en Hindemith”, zei ze. “Allemaal goed gecomponeerd, dat wel, maar waar is Piazzolla?” Die kreeg ze te horen toen hij haar Triunfal voorspeelde.
"... Toen ik haar ontmoette, liet ik haar mijn kilo's symfonieën en sonates zien. Ze begon ze te lezen en kwam plotseling met een vreselijke zin: "Het is heel goed geschreven" ... Na een lange tijd zei ze: "Hier hoor ik Stravinsky, Bartók en Ravel, maar weet je wat er gebeurt? Ik kan Piazzolla hier niet in vinden."
 En ze begon mijn privéleven te onderzoeken: wat ik deed, wat ik wel en niet speelde, of ik nu vrijgezel was, getrouwd of samenwoonde, ze was als een FBI-agent! En ik schaamde me erg om haar te vertellen dat ik een tangomuzikant was. Ze bleef maar vragen: "Je zegt dat je geen pianist bent. Welk instrument bespeel je dan?" En ik wilde haar niet vertellen dat ik een bandoneónspeler was...
Uiteindelijk biechtte ik op en vroeg ze me om een paar maten van een eigen tango te spelen. Ze opende plotseling haar ogen, pakte mijn hand en zei tegen me: "Idioot die je bent, dit is Piazzolla!" En ik nam alle muziek die ik componeerde, tien jaar van mijn leven, en stuurde het in twee seconden naar de hel..."
Zijn pad was voortaan uitgetekend. Hij gooide zich op de tango, en je hoort daar de polyritmiek, gedurfde harmonisaties, dissonanten en expressieve ritmes van Stravinsky en Bartok in, heel percussief, en bij momenten ook Bach. Het begin van Tangaza, wat we straks ook spelen, daarover zei Bart, hoewel het Argentijns is: Dit zou zo uit het Requiem van Mozart kunnen komen. Daar komt ook nog de jazz bij. Hij neemt jazz-muzikanten, permanent zelfs een elektrische gitarist, op in zijn ensembles, maar die kijken niet weinig raar op als ze merken dat werkelijk elke noot staat uitgeschreven. En die moésten gespeeld worden. Piazzolla stond bekend als een grappenmaker, maar nooit als het zijn muziek betrof. Als er iets niet gebeurde zoals hij het had voorzien kon hij de muzikant wel vierendelen.

PIazzolla moest een nieuw publiek zoeken, er stond deze keer geen tangopubliek klaar, de tijden waren veranderd. Hij deed dat dus door verbindingen te leggen met andere muzikale bronnen en technieken. Dat werd hem door de oorspronkelijke tangueros niet in dank afgenomen. Ooit brak er een vechtpartij uit omdat Piazzolla een werk voor bandoneon en symfonisch orkest had gecreëerd. De aanhangers van de traditionele tango vonden dat hiermee de waardigheid van het instrument werd aangetast. Piazzolla vergeleek het doen evolueren van muziek met boksen of andere martiale sporten.

Wat mij betreft: het levert prachtige muziek op, laat ons het woord geniaal maar eens gebruiken. Hij verenigt jazz, wereldmuziek en klassiek, doet dat in een zekere donkerte en met een enorme emotionele diepte. “Hij vond een natuurlijk weg om de tango te doen evolueren”, weet Daniel Barenboim. “Het reliek uit het verleden liet hij achterwege.” Waarschijnlijk was hij de beste bandoneonspeler ooit. Het is onder meer dankzij Piazzolla dat er vandaag nog tango wordt gespeeld, het genre nog springlevend is. Ik denk hierbij alleen al aan het Parijse ensemble Gotan-project dat het genre verrijkt met beats en samples en tot in clubs en discotheken brengt. (ballroomdans, Brossé, tangobars Parijs en Tokyo ...)
(Vervolgens kwamen Dietrich Van Akelyen en Bart Picqueur nog aan het woord over hun eigen tango's: Tango for smokey eyes en Red shoe danceries)  

Meer lezen of kijken?
Ana Sebastian en Luis Librana, De geschiedenis van de tango, De Geus, Breda, 1990
Natalio Gorin, Astor Piazzolla | A memoir, Amadeus Press, 2001
Onno Wesseling, De eeuw van Carlos Moreno Amador, De Geus, Breda, 2013 (roman)
DVD Astor Piazzolla in portrait, BBC, 2005, ook op YouTube: 



zondag 15 januari 2023

Over de wals

Nieuwjaarsconcert Koninklijke Harmonie Ste-Cecilia Zele
Inleiding 'Waltzing Cecilia'

Goeiemorgen, het is al eventjes geleden dat we elkaar hier nog troffen.
Laat ik misschien beginnen waar we de vorige keer waren geëindigd. Dat is drie jaar geleden intussen. In 2020 speelde onze harmonie haar laatste nieuwjaarsconcert. Misschien herinneren jullie het zich nog wel, we speelden toen de Symphonie Fantastique van Berlioz. Dat was een vijfdelig werk met als tweede deel een scène op een bal. In dat deel klonk uiteraard een mooie wals. Een jaar eerder speelden we De Notenkraker met daarin de bekende Bloemenwals, en als toegift – als ik me niet vergis – de wals uit Doornroosje, eveneens van Tsjaikovski. Vandaag concentreren we ons op de wals, dat is voor een Nieuwjaarsconcert niet vreemd. We sluiten in dat opzicht aan bij een decennialange traditie.
Er zijn tientallen walsen te noemen, bedoeld om op te dansen, die overbekend zijn bij het grote publiek. Dat staat in schril contrast met het feit dat het genre in de traditionele muziekgeschiedenisliteratuur een beetje wordt doodgezwegen. De bekendste naam uit het genre Johann Strauss wordt door Jan Broeckx, in zijn overzicht van de Westerse geschiedenis enkel als nevenfiguur vernoemd, met toevoeging van geboorte- en sterfjaar. Daar houdt het mee op. In de Larousse muziekencyclopedie moet je zijn naam ook met een vergrootglas zoeken. De opdeling tussen gebruiksmuziek en de zogenaamd ernstige muziek zit hier voor iets tussen. Om eerlijk te zijn: het was een tijd bon ton om een beetje neerbuigend te doen over deze muziek die voor de balzaal was bestemd.
Een aantal vooroordelen aangaande de wals hebben lange tijd stand gehouden en doen dat zeker nog, tot op vandaag.


Feit is dat hij voortspruit uit volkse boerendansen: de ländler, die uit Zwitserland, Oostenrijk en Slovenië stamt, wordt het vaakst als voorloper genoemd. Ook de Duitse dans, de Dreher, de Hopser, een enkele keer de Franse Volta. Wervelen doet de wals wel, maar hoe verklaren we al die sprongen van de Volta? In de ländler wordt ook gesprongen en gestampt, zelfs gejodeld, maar deze partnerdans in een driedelige maat (1-2-3) heeft onmiskenbaar een grote invloed gehad op de totstandkoming van de wals. Wat er ook van zij, deze volksdansen zijn zeker nog niet de draaidans aan een hoog tempo, waarbij niet gesprongen wordt of gestampt wordt maar geschuurd, gewreven. Gewalst. Maar ze hebben dus wel bijgedragen tot een evolutie in die richting.
Eens de wals als zodanig de Weense balzalen bereikt, want vanaf dan – midden 19de eeuw - wordt het een bijna uitsluitend Weens verhaal blijft de dans niet onbesproken. Dit fenomeen volstrekt zich tegelijk met de opkomst van de burgerij: de hoepelrok wordt afgegooid en men moet niet langer op een armlengte afstand blijven. Men kon zijn of haar partner al eens tegen de gilet trekken. De wals wordt de dans waar er tegen elkaar wordt aangeschuurd. Het wordt dé dans om te flirten. Eigenlijk was de wals te sexy voor zijn tijd. Niet voor niets zetten balzalen dansmeesters in om een oogje in het zeil te houden of alles wel ordentelijk verliep. Maagden mochten zelfs niet walsen! En het licht hallucinerende effect van het urenlange rondtollen op zwierige driekwartsmaten deed de reputatie ook al geen deugd. Wat meer is: overal doken publicaties op die duidelijk moesten maken dat de wals slecht was voor lichaam en geest! Blindheid en doofheid lagen op de loer. In de hogere kringen bleef men de Duitse dans dansen, de fatsoenlijke tante van de wals. Dit zijn een paar niet-muzikale zaken waar de goede reputatie van de wals moest tegenaan boksen, maar er zijn ook muzikale.
De compositieleraar van Johan Strauss junior, de beroemdste van de dynastie, was Joseph Dreschler. Op een bepaald moment liet Strauss zich ontvallen dat offertoria en graduales niet zijn ding waren. Dreschler antwoordde: ‘Ah, je wil dus walsen gaan schrijven? Waarom hebben we dan onze tijd in dat contrapunt gestoken.’ Contrapunt is een vrij ingewikkelde compositietechniek waarbij je meerdere melodieën tegelijk laat klinken, de uitspraak was dus wel redelijk denigrerend naar de wals toe.
De Wiener Philharmoniker, het orkest dat jaarlijks het Nieuwjaarsconcert vanuit Wenen verzorgt, wou tijdens het leven van Strauss eigenlijk niets met de man en diens populaire muziek maken hebben. Uiteindelijk konden ze niet om hem heen en creëerden ze toch zijn Wiener Blut in het Musikverein, de zaal waar de nieuwjaarsconcerten nog steeds doorgaan. De Nieuwjaarsconcerten op nieuwjaarsdag zelf zullen pas vanaf 1941, een zestigtal jaar later, van start gaan. Het was oorspronkelijk een benefietconcert dat werd opgezet door het toenmalige nazi-regime.
Een nog pakkender voorbeeld is dat van onze eigen Jos Van Immerseel, bezieler van het orkest Anima Eterna. ‘Ik heb nooit begrepen dat Johannes Brahms – die het betreurde De Schönen Blauen Donau niet zelf geschreven te hebben -  een groot Straussbewonderaar kon zijn, want ik vond Strauss altijd wat goedkoop’, schrijft hij. ‘Dat eeuwige melodietje, dat voortdurende trekken en duwen, dat melodramatisch doen. Het was niet aan mij besteed.’ Aan de muziekschool was het in Van Immerseels tijd, nu ook nog niet zo lang geleden, verboden om Strauss te spelen, zelfs om zijn muziek nog maar leuk te vinden.’
Maar, er is een ‘maar’! Toen Van Immerseel de muziek van Strauss ging opnemen met zijn orkest kantelde zijn scepticisme helemaal. ‘Ik ontdekte goede, grote muziek en geniale orkestraties,’ zegt hij daarover. ‘We speelden eerder al Mozart en Schubert en dan is de stap naar Strauss klein. Net als bij Mozart en Beethoven zijn de partituren perfecte draaiboeken voor een orkest om mee aan de slag te gaan.’ We weten dus stilaan beter intussen. In de handen van een muzikale bruut kunnen ze gemakkelijk tot walspap worden vermalen, maar met fijne hand gespeeld zijn het mooie werken met uitgekiende instrumentaties en verbluffende stemmingswisselingen.
Het is trouwens toch wel interessant, als we het over de wals hebben, om die Strauss-dynastie even kort toe te lichten. Want hoe je het ook draait of keert dat waren wereldsterren: ze speelden in Wenen uiteraard, maar ook in Parijs, Warschau, Sint-Petersburg, New York, Londen, noem maar op.
Het begon met Johan Strauss senior, de vader. Hij speelde eerst in het orkest van Joseph Länner, een man die een klein ensemble had opgezet en er walsen en potpourri’s mee speelde. Länner was een man van de melodie, Strauss een man van het ritme. Op een bepaald kwam het tot een heftige ruzie, over vrouwen onder andere, maar ook over het feit dat Strauss zijn rol binnen het orkest groter zag dan die van hulpdirigent en violist-componist in dienst van Länner. Er werden wat instrumenten kapotgesmeten en er sneuvelden wat spiegels in de balzaal, en Johann Strauss zette de stap voor een eigen orkest. Een orkest dat maar liefst 78 jaar zou standhouden. Daarbij zou zoon Johann, Johann junior of Johann II, het het verst schoppen. Zijn moeder deed hem compositielessen volgen nadat haar man haar had verlaten. Ze wou van hem een goed onderlegd musicus maken. Het dispuut met zijn compositieleraar Dreschler haalde ik al aan, maar op zijn 19de zou hij debuteren en meteen alle harten veroveren. Tijdens dat debuut in Dommayers Casino tegenover het Park Schönbrunn heeft hij zijn Sinngedichte-wals 18 keer moeten bissen. Vader Johann zag het succes van de zoon met lede ogen aan en trok zich terug, hij overleed enkele jaren nadien. Johann bouwde daarop een soort Studio 100 van de wals uit. Hij betrok er zijn broers Eduard en Joseph bij, de laatste, een bouwkundig tekenaar nota bene. Rond 1860 had Johann junior ongeveer 200 muzikanten in dienst, opgedeeld in diverse orkesten, een drietal. Die speelden tegelijk in verschillende balzalen, onder de leiding van de drie broers. Omdat Johann veruit de populairste was en iedereen hem aan het werk wou zien werd hij met een fiaker van zaal naar zaal gereden, om er telkens een half uurtje de muzikale leiding te nemen. En de walsen, marsen en polka’s componeerde Johan zelf. Vaak in opdracht van dokters en juristen, aannemers, industriëlen, enzovoort. Dat nieuw soort mecenaat wordt ook duidelijk in de titels van die walsen. Juristenballtanze, Telegrafische Depescher walzer, Publizisten walzer, Elektro-magnetische polka … Het grappigste vind ik de Demolierer-polka, ik vermoed dat die besteld werd door een firma van Afbraakwerken. In die optiek had stellingbouwer Michel Van den Brande, had hij toen geleefd, perfect een Gerüstbau-walzer kunnen bestellen, al zie ik hem niet meteen over het parket zweven.
Johann junior was de grootste, de meest verfijnde van de familie. Hij heeft honderden melodieën verzonnen. ‘Ik had maar één ding nodig’, zei hij daarover, ‘er moest ons iets invallen en dat gebeurde altijd.’ Die ‘ons’ in de voorgaande zin, ‘er moest ons iets invallen’, is veelbetekenend. Vergelijk de werkwijze van de Strauss-fabriek gerust met het atelier van Rubens waar diverse mensen samenwerkten aan hetzelfde oeuvre maar met overduidelijk de stempel van de meester. En junior schepte er graag over op: ‘Het gebeurde niet zelden dat er ’s morgen nog geen noot op papier stond voor een werk dat we tegen de avond hadden beloofd.”
Maar goed, die werkwijze leverde wel wat op: Wiener Blüt, Der Schönen Blauen Donau, Künstlerleben, Wein, weib und gesang, G’schichten aus dem Wienerwald, Keizerswals,… De Strauss-orkesten zongen het, zoals gezegd, 78 jaar uit. Tot in 1902, toen ze drie jaar na de dood van Johann werden ontbonden. In 1907 voerde Eduard alle manuscripten naar een ovenbouwer en verbrandde alles, zogezegd om gewetenloze arrangeurs voor te zijn. Maar waarschijnlijk eerder uit jaloezie ten opzicht van zijn broer. Nu, dat verbranden was hopeloos te laat. De kopieën van Johans muziek circuleerden overal in honderdvoud. En niet te vergeten: nieuwe werken werden meteen in pianoversie uitgegeven. Dat was aan een tempo dat de uitgevers zelfs niet konden bijhouden.
Okee, genoeg over Strauss.
De wals bereikte niet enkel de balzalen, maar ook de concertzalen. Zoiets  groeide embryonaal al bij Mozart, met zijn Ländler en menuetten. Von Webern, Schubert, Chopin, Brahms, Liszt, Ravel, Berlioz, Mahler, ze wenden het genre met veel plezier aan. En in balletten en suites kwam de wals veelvuldig voor. Zelfs Arnold Schönberg bewerkte walsen voor kamermuziekensemble. In onze eigentijdse pop- en rockmuziek horen we ook genoeg referenties naar het genre.
Vandaag speelt de harmonie enkele werken die de wals alle eer aandoen, op zichzelf staande walsen of werken die op een creatieve manier op het genre verderbouwen.
We hebben een militaire wals op het programma staan, hoe je het leger met een wals combineert, krijg je straks te horen. Verder een liefelijke Pas de Deux en een wals, telkens uit een Suite voor blazers, van respectievelijk Alfred Reed als Robert Jager. Frederic Devreese schreef de Valse sacrée voor de film Het Sacrament van Hugo Claus. Een woeste wals voor een dansscene tijdens een bewogen familiefeest. Als geen ander slaagt Devreese erin een wrange ondertoon aan dit werk toe te voegen. Joropo is uit heel ander ander hout gesneden, het is een typische dans uit Venezuela, in een drieledige maatsoort, dus er is zeker een verwantschap met de wals. En we spelen zelfs een bijzondere wals die door Antony Hopkins werd gecomponeerd lang voor hij rollen  vertolkte in Silence of the lambs, Howards’ end, The two Popes, The Remains of the day… André Rieu speelde dit werk ooit voor het eerst, het was de vriendin van Hopkins die hem de partituur had bezorgd. Maar wij hebben zelf een wereldpremière vandaag. En dat is Shades of three van Pieter Corten.