Voor zover ik me herinner las ik de eerste keer over een rastrum in John Eliot Gardiners boek Bach, muziek als een wenk van de hemel. De vermelding van het eenvoudige toestelletje om notenbalken te tekenen bracht de componist, die een kolossale status geniet en op zijn muziekmanuscripten na weinig tastbaars achterliet, een klein beetje dichterbij, al zullen wel hoofdzakelijk zijn kopiist en en helpers er gebruik van gemaakt hebben.
Muziekmanuscripten en -drukkunst* hebben me altijd gefascineerd en toch ging ik er verkeerdelijk van uit dat componisten in de 17de en 18de eeuw papier gebruikten met voorgedrukte notenbalken erop. Ondertussen weet ik beter, dergelijk muziekpapier werd pas betaalbaar in de 19de eeuw. Derhalve gebruikte men voordien de vijfvoudige pen, het rastrum dus, wat in het Latijn zoveel als hark betekent.
Ik zag er onlangs voor het eerst een in het geboortehuis van de vioolvirtuoos en componist Giuseppe Tartini (1692-1770). Zou hij het gebruikt hebben tijdens het componeren van de sonate in g, Il trillo del diavolo ? (gva)
* In het museum Plantin-Moretus merkte ik een tijdje geleden een zethaak op met prachtige afzonderlijke notentekens in handzetsel. De noot en het stukje notenbalk stonden samen op één loden elementje.
'Het uilenveld' verwijst naar de etymologie van de stek waar Giovanni en Els wonen. Op deze blog: veel aandacht voor muziek en literatuur.
dinsdag 2 augustus 2016
woensdag 27 juli 2016
Bedenkingen vanop een bank in Piran
We genoten in Piran, een oogverblindend middeleeuws en Venetiaans aandoend stadje in Slovenië, op het Tartini-plein van de wegdeemsterende avondzon. Onze bank gaf uit op het historische stadhuis en het standbeeld van de violist-componist die in een betoverend, met muurschilderingen gedecoreerd huis aan datzelfde plein op het einde van de zeventiende eeuw het levenslicht zag.
Tussen het standbeeld en het majestueuze stadhuis voetbalde de lokale jeugd er op los. Twee lantaarnpalen, aan weerszijden van de monumentale hoofdingang van het stadhuis, bakenden één van de twee doelen af.
'Dat zouden de kinderen bij ons moeten proberen', dachten we. 'Tegen het gemeentehuis aan voetballen: omiddellijk een GAS-boete aan je voetbalbroek! Of op zijn minst een ferme verwittiging om onverwijld op te rotten.'
In 2011 werd het pleintje opgeleukt met een kunstwerk, iets te flink uit de kluiten gewassen petanqueballen. En natuurlijk begrijp ik de verwijzing naar Frankrijk, waar men samenkomt om een balletje te gooien. Maar net door dit kunstwerk op deze plek neer te zetten verloor het Fonteinhof zijn sociale functie volledig. Nu is er zelfs geen plaats meer voor een orkestje. Jammer. Want werd er destijds niet aangekondigd dat onze Zeelse korpsen er regelmatig op uitnodiging van de gemeente een concertje zouden geven?
Mogelijk enthousiasme werd overigens kort na de inhuldiging van het plein al onverlet de kop ingedrukt door borden te plaatsen met de niet mis te verstane melding dat skaters best andere oorden opzoeken. Rond die tijd mocht je in het park Peeters ook niet tegen een bal sjotten.
Waarom niet, eigenlijk?
Ik zal het u zeggen: kneuterigheid.
Ik viel haast van mijn bank.
Over de inhoudelijke kant, waarom we zo nodig al het natuurlijke uit onze omgeving willen weren in het voordeel van asfalt en synthetische geuren - om maar iets te noemen - moet ik het misschien in een andere blogpost hebben. Maar, het moment dat een politicus de baan optrekt om elke inwoner te wijzen op een mogelijk onkruidje op de stoep of tegen de gevel, is de balans tussen kleinsteedse betutteling enerzijds en het gezond vertrouwen in het individu anderzijds compleet de verkeerde richting doorgeslagen. (gva)
Tussen het standbeeld en het majestueuze stadhuis voetbalde de lokale jeugd er op los. Twee lantaarnpalen, aan weerszijden van de monumentale hoofdingang van het stadhuis, bakenden één van de twee doelen af.
'Dat zouden de kinderen bij ons moeten proberen', dachten we. 'Tegen het gemeentehuis aan voetballen: omiddellijk een GAS-boete aan je voetbalbroek! Of op zijn minst een ferme verwittiging om onverwijld op te rotten.'
Tartini-plein versus Fonteinhof
Toen in het kader van 1200 jaar Zele het vernieuwde Fonteinhof, het pleintje voor het gemeentehuis met de in hun matrijs gevangen beukenhagen, werd ingehuldigd, zou het dé ontmoetingsplek worden, het levende en kloppende hart van de gemeente. Dat is het niet echt geworden. Er heeft af en toe wel eens een receptie plaats, of een kunstmarkt, maar de dagdagelijkse spontane levendigheid die je soms elders ziet, tref je er nauwelijks.In 2011 werd het pleintje opgeleukt met een kunstwerk, iets te flink uit de kluiten gewassen petanqueballen. En natuurlijk begrijp ik de verwijzing naar Frankrijk, waar men samenkomt om een balletje te gooien. Maar net door dit kunstwerk op deze plek neer te zetten verloor het Fonteinhof zijn sociale functie volledig. Nu is er zelfs geen plaats meer voor een orkestje. Jammer. Want werd er destijds niet aangekondigd dat onze Zeelse korpsen er regelmatig op uitnodiging van de gemeente een concertje zouden geven?
Mogelijk enthousiasme werd overigens kort na de inhuldiging van het plein al onverlet de kop ingedrukt door borden te plaatsen met de niet mis te verstane melding dat skaters best andere oorden opzoeken. Rond die tijd mocht je in het park Peeters ook niet tegen een bal sjotten.
Waarom niet, eigenlijk?
Ik zal het u zeggen: kneuterigheid.
Pietluttig
Met het verbieden van flippo's in een chips-zakje in het midden van de jaren '90 heeft de truttigheid en de betutteling zich, zoals ik het me voorstel althans, in de politiek genesteld. Sindsdien wordt ons, boudweg gesteld, vanalles verboden om ons groot onheil te besparen, om anderen niet te storen, om geen aanstoot te geven, sindsdien lijkt de politicus het denkvermogen van de burger enorm te wantrouwen, denkt de politicus in onze plaats, wordt alles tot in het absurde toe in pietluttige regels gegoten en voorgekauwd en kan je een GAS-boete aangewreven krijgen voor belleketrek. Dat je in Slovenië ten allen tijde in alle openbare wateren, op eigen risico weliswaar, kan en mag zwemmen vind ik daarentegen een verfrissende gedachte. Je wordt tenminste geacht verantwoordelijkheid te kunnen nemen en voor jezelf te kunnen instaan.Onkruid
Diezelfde avond in Piran vernam ik via een Facebook-bericht de oprichting van de éénmans-onkruidpolitie in Zele.Ik viel haast van mijn bank.
Over de inhoudelijke kant, waarom we zo nodig al het natuurlijke uit onze omgeving willen weren in het voordeel van asfalt en synthetische geuren - om maar iets te noemen - moet ik het misschien in een andere blogpost hebben. Maar, het moment dat een politicus de baan optrekt om elke inwoner te wijzen op een mogelijk onkruidje op de stoep of tegen de gevel, is de balans tussen kleinsteedse betutteling enerzijds en het gezond vertrouwen in het individu anderzijds compleet de verkeerde richting doorgeslagen. (gva)
woensdag 17 februari 2016
Fidelio, brood voor kinderen én volwassenen
Gregie De Maeyer liet ooit optekenen: 'Je bakt een brood toch ook niet óf voor een kind, óf voor een volwassene.' Geschilderd op een muur in Het Paleis, het Antwerpse theaterhuis voor kinderen en jongeren, ken ik de context van het citaat niet, maar ik vermoed dat hij doelde op het kunstmatige onderscheid tussen literatuur voor volwassenen en jeugdliteratuur. Zijn standpunt houdt steek, natuurlijk. Ik (her)lees Roald Dahl nog steeds met enorm veel genoegen en, omgekeerd, in mijn schooltijd besprak ik in het zesde leerjaar, het eerste, tweede en vermoedelijk ook het derde jaar van de humaniora De Witte van Ernest Claes. Het moge duidelijk zijn: lezen deed de puberende Giovanni nog niet echt graag, maar van De Witte was ik helemaal weg.
In het operagenre ligt dat toch even anders. Weinig kinderen zullen een urendurende Wagner licht verteren. Daar zal op zijn minst enig geschuifel op de stoel mee gepaard gaan. Het genre vraagt een bewerking voor het jonge grut. Judith Vindevogel van muziektheater Walpurgis weet dat. Zij maakte eerder een bijzonder gesmaakte operavoorstelling voor kinderen rond prinses Turandot. Onze kinderen hebben het daar, jaren nadien, nog vaak over.
Vindevogel snoeit in het aantal personages/zangers, de verhaallijnen worden tot een makkelijker begrijpbare essentie teruggebracht, in de tijd wordt de opera beperkt tot een 45-tal minuten en het orkest wordt gereduceerd tot een multi-instrumentalist of een pianist.
Daarmee gebeurt het.
In een klein zaaltje waar de actie plaatsgrijpt tussen het publiek, waar de zangers zich tussen het publiek begeven. Dat laatste is formidabel. Als een operazanger of -zangeres op amper een meter afstand een aria zingt, dan voel je dat tot in je kleinste teen. De muziek, uiteindelijk een ordening van frequenties, wordt fysiek heel voelbaar. Een terzet, met links, rechts en voor jou een zanger, is een surround-ervaring die geen gelijke kent. Dat blaast je gewoon omver.
Vandaag gingen we in Het Paleis naar Judiths Vindevogels bewerking van Beethovens Fidelio kijken en luisteren, een aangrijpende voorstelling. De grote thema's van de opera - vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid, machtswellust,... - bleven overeind. Humor, romantiek, het was allemaal aanwezig. Maar de voorstelling was geenszins vrijblijvend. Bijwijlen confronterend. Toen de uitgemergelde Florestan uit zijn kerker werd bevrijd, waarin hij opgesloten zat omwille van zijn idealen, hield minstens één klein Van Avermaetje het niet droog, mama en papa overigens ook niet. De bewerkte Fidelio: brood voor kinderen én volwassenen dus.
Op de terugweg van Het Paleis naar het centraal station bleef het de eerste 15 minuten héél stil. Dan weet je: in dat kleine zaaltje is iets heftigs gebeurd. Rune verbrak de stilte. 'Mama, papa', zei hij, 'ik ben blij en droevig tegelijk. Blij omdat het zo ongelooflijk mooi was. Maar ook droevig: mensen doen mekaar veel te veel lelijke dingen aan. Dat moet maar eens gedaan zijn!' (gva)
In het operagenre ligt dat toch even anders. Weinig kinderen zullen een urendurende Wagner licht verteren. Daar zal op zijn minst enig geschuifel op de stoel mee gepaard gaan. Het genre vraagt een bewerking voor het jonge grut. Judith Vindevogel van muziektheater Walpurgis weet dat. Zij maakte eerder een bijzonder gesmaakte operavoorstelling voor kinderen rond prinses Turandot. Onze kinderen hebben het daar, jaren nadien, nog vaak over.
Vindevogel snoeit in het aantal personages/zangers, de verhaallijnen worden tot een makkelijker begrijpbare essentie teruggebracht, in de tijd wordt de opera beperkt tot een 45-tal minuten en het orkest wordt gereduceerd tot een multi-instrumentalist of een pianist.
Daarmee gebeurt het.
In een klein zaaltje waar de actie plaatsgrijpt tussen het publiek, waar de zangers zich tussen het publiek begeven. Dat laatste is formidabel. Als een operazanger of -zangeres op amper een meter afstand een aria zingt, dan voel je dat tot in je kleinste teen. De muziek, uiteindelijk een ordening van frequenties, wordt fysiek heel voelbaar. Een terzet, met links, rechts en voor jou een zanger, is een surround-ervaring die geen gelijke kent. Dat blaast je gewoon omver.
Vandaag gingen we in Het Paleis naar Judiths Vindevogels bewerking van Beethovens Fidelio kijken en luisteren, een aangrijpende voorstelling. De grote thema's van de opera - vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid, machtswellust,... - bleven overeind. Humor, romantiek, het was allemaal aanwezig. Maar de voorstelling was geenszins vrijblijvend. Bijwijlen confronterend. Toen de uitgemergelde Florestan uit zijn kerker werd bevrijd, waarin hij opgesloten zat omwille van zijn idealen, hield minstens één klein Van Avermaetje het niet droog, mama en papa overigens ook niet. De bewerkte Fidelio: brood voor kinderen én volwassenen dus.
Op de terugweg van Het Paleis naar het centraal station bleef het de eerste 15 minuten héél stil. Dan weet je: in dat kleine zaaltje is iets heftigs gebeurd. Rune verbrak de stilte. 'Mama, papa', zei hij, 'ik ben blij en droevig tegelijk. Blij omdat het zo ongelooflijk mooi was. Maar ook droevig: mensen doen mekaar veel te veel lelijke dingen aan. Dat moet maar eens gedaan zijn!' (gva)
woensdag 27 januari 2016
Zwelgen in Weltschmerz
De kennismaking, vorig weekend, met de tenor Ian Bostridge was bijzonder aangenaam en intens. Ik luisterde meermaals naar de opname die hij samen met Leif Ove Andsnes maakte van Schuberts Winterreise. Onvoorstelbaar, wat hij doet met het werk. Verbluffend, hoe mooi hij zingt. Als u me toelaat even te vloeken in de kerk: minder afstandelijk dan de manier waarop Dietrich Fisher-Dieskau Schubert brengt, vind ik in al mijn subjectiviteit.
Zo rap als tellen kocht ik het boek Winterreise, een meesterwerk ontleed, waarin Bostridge zijn totale visie over het werk uiteenzet. Wie in de hoogromantiek wil gekatapulteerd worden: lees dit, overigens prachtig vormgegeven, boek! Zangtechnische en musicologische aspecten komen aan bod, maar laat u daar geenszins door afschrikken. Bostridge - hij begon pas laat, na studies filosofie en geschiedenis en een leerstoel in Oxford aan zijn professionele zangcarrière - weet de tijdsgeest te vatten in al zijn facetten: politiek en sociaal, maar hij belicht uiteraard ook uitvoerig de literatuur, de schilderkunst, het volksgeloof, de muziek,...
En dan kom je al snel bij ronkende namen terecht als Johann Wolfgang von Goethe, Friedrich von Schiller, Thomas Mann, Caspar David Friedrich,...
Ik dacht bij mezelf: laat ik dat in Weltschmerz badende boek van Goethe maar eens lezen: Het lijden van de jonge Werther. Het verscheen anoniem in 1774 en kreeg meteen een cultstatus. Ik las het in één ruk uit, zij het dat rond de helft van het boek het zelfmedelijden van het hoofdpersonage me wat te veel werd. Het verhaal is genoegzaam bekend: Werther wordt verliefd op Charlotte, zijn liefde wordt niet beantwoord en dat drijft hem tot een wanhoopsdaad.
Amper tien bladzijden ver in het boek kwam ik al een heleboel romantische metaforen tegen: de bron, het kabbelend beekje, een eenzame rotspunt, lindenbomen, de ongerepte natuur, het woud, het eindeloze zwerven zonder bestemming,... Maar het hoofdthema van het boek is natuurlijk de onbereikbare geliefde.
Na het lezen van het volledige boek vielen me twee zaken op:
1. Er kruisen wel meerdere vrouwen Werthers pad, maar het is precies haar onbereikbaarheid, het feit dat ze al voor een andere man is voorbestemd, die Lotte voor Werther bijzonder aantrekkelijk maakt.
2. Meer nog dan liefdesverdriet drijven andere factoren Werther tot zijn wanhoopsdaad. Werther koestert vooruitstrevende idealen, heeft progressieve opvattingen over lijden, over rechtvaardigheid, over misdaad en straf, over de miskleun die de standenmaatschappij voor hem is. Hij ervaart voortdurend dat het wringt tussen hem, zijn denkbeelden, en het beklemmende tijdsgewricht waarin hij leeft. Bovendien bepleit en beargumenteert hij openlijk zijn meningen, hetgeen hem van zijn directe omgeving vervreemdt en isoleert.
Die leiden des jungen Werther, het is niet meteen het soort boek waarnaar ik spontaan grijp in de boekhandel of de bibliotheek, maar samen met het Winterreise-boek van Ian Bostridge heeft het me, meer dan welke cursus van destijds, inzicht gegeven in de stijlperiode van de romantiek.
Welk boek zou ik nu lezen ? Een luchtig Jeeves-avontuur van P.G. Wodehouse of toch maar De dood in Venetië van Thomas Mann ? (gva)
Zo rap als tellen kocht ik het boek Winterreise, een meesterwerk ontleed, waarin Bostridge zijn totale visie over het werk uiteenzet. Wie in de hoogromantiek wil gekatapulteerd worden: lees dit, overigens prachtig vormgegeven, boek! Zangtechnische en musicologische aspecten komen aan bod, maar laat u daar geenszins door afschrikken. Bostridge - hij begon pas laat, na studies filosofie en geschiedenis en een leerstoel in Oxford aan zijn professionele zangcarrière - weet de tijdsgeest te vatten in al zijn facetten: politiek en sociaal, maar hij belicht uiteraard ook uitvoerig de literatuur, de schilderkunst, het volksgeloof, de muziek,...En dan kom je al snel bij ronkende namen terecht als Johann Wolfgang von Goethe, Friedrich von Schiller, Thomas Mann, Caspar David Friedrich,...
Ik dacht bij mezelf: laat ik dat in Weltschmerz badende boek van Goethe maar eens lezen: Het lijden van de jonge Werther. Het verscheen anoniem in 1774 en kreeg meteen een cultstatus. Ik las het in één ruk uit, zij het dat rond de helft van het boek het zelfmedelijden van het hoofdpersonage me wat te veel werd. Het verhaal is genoegzaam bekend: Werther wordt verliefd op Charlotte, zijn liefde wordt niet beantwoord en dat drijft hem tot een wanhoopsdaad.Amper tien bladzijden ver in het boek kwam ik al een heleboel romantische metaforen tegen: de bron, het kabbelend beekje, een eenzame rotspunt, lindenbomen, de ongerepte natuur, het woud, het eindeloze zwerven zonder bestemming,... Maar het hoofdthema van het boek is natuurlijk de onbereikbare geliefde.
Na het lezen van het volledige boek vielen me twee zaken op:
1. Er kruisen wel meerdere vrouwen Werthers pad, maar het is precies haar onbereikbaarheid, het feit dat ze al voor een andere man is voorbestemd, die Lotte voor Werther bijzonder aantrekkelijk maakt.
2. Meer nog dan liefdesverdriet drijven andere factoren Werther tot zijn wanhoopsdaad. Werther koestert vooruitstrevende idealen, heeft progressieve opvattingen over lijden, over rechtvaardigheid, over misdaad en straf, over de miskleun die de standenmaatschappij voor hem is. Hij ervaart voortdurend dat het wringt tussen hem, zijn denkbeelden, en het beklemmende tijdsgewricht waarin hij leeft. Bovendien bepleit en beargumenteert hij openlijk zijn meningen, hetgeen hem van zijn directe omgeving vervreemdt en isoleert.
Die leiden des jungen Werther, het is niet meteen het soort boek waarnaar ik spontaan grijp in de boekhandel of de bibliotheek, maar samen met het Winterreise-boek van Ian Bostridge heeft het me, meer dan welke cursus van destijds, inzicht gegeven in de stijlperiode van de romantiek.
Welk boek zou ik nu lezen ? Een luchtig Jeeves-avontuur van P.G. Wodehouse of toch maar De dood in Venetië van Thomas Mann ? (gva)
maandag 18 mei 2015
De middeleeuwen rond de Noordzee: alles behalve duister
Onze geschiedenis wordt vaak verteld vanuit een mediterraan perspectief. De bakermat van Europa ligt in het antieke Griekenland en in Rome: men heeft het ons ingeprent. Dat is uiteraard tot op zekere, zelfs vrij grote hoogte zo, maar de geschiedenis hield niet op toen Rome viel. Integendeel, de duizend jaar die erop volgden waren geen duistere middeleeuwen in onze gewesten.
Michael Pye neemt die draad op en beschrijft in Aan de rand van de wereld, hoe de Noordzee ons vormde, de geschiedenis van de landen rond de Noordzee tussen de val van het Romeinse rijk en de renaissance en tekent hoe de volkeren rond deze zee de eerste grote stappen zetten in de richting van ons hedendaagse monetair systeem, een rechtvaardige justitie, de moderne wetenschap, een opener visie op liefde en seksualiteit.
Hij doet dat bovendien weergaloos, op een zeldzaam boeiende manier.
En, we hebben als lezer aanknopingspunten.
Veel aanknopingspunten, want de plaatsen die beschreven worden zijn vaak dicht bij huis gesitueerd.
Zo begint het boek in Domburg, waar het water Vikinggraven blootlegde en de resten van de tempel voor de Gallische godin Nehalennia verzwolg. Onlangs was ik nog met het gezin in Domburg en de desbetreffende passages in het boek las ik met een enorme belangstelling, in sneltreinvaart.
![]() |
| Reconstructie van de Nehallenniatempel in Colijnsplaat en van de middeleeuwse vissershuisjes in Walraversijde. |
Of nog, over de Vikinggraven: 'Drie jaar later was er een zo hevige storm dat er 's morgens lijken op het strand lagen: zeer oude skeletten, in doodskisten van centimeters dik hout (...) Bij één skelet was een drinkbeker op de borst geplaatst, een ander droeg een zilveren dolk langs de zij. (...) Maar de doden bleven terugkomen. Het grafveld kwam opnieuw bloot te liggen in 1749 en 1817, twintig ruwe, wormstekige doodskisten, bijeengehouden door houten pennen in plaats van spijkers, en opgesloten in het zand onder het gewicht van de oude duinen.'
Na Domburg is - ik meld dit even terloops - Walraversijde aan de beurt, het verdwenen middeleeuwse vissersdorp in de buurt van Oostende, op amper een uurtje rijden van waar ik woon. Er werden enkele vissershuisjes gereconstrueerd, het dorp van weleer werd archeologisch onderzocht en de belangrijkste vondsten kregen onderdak in een museum. (info: www.raversyde.be). De historische site is overigens een bezoek meer dan waard. Pye, verteller pur sang, gebruikt vaak die archeologie om haarfijn uit de doeken te doen hoe alle mogelijke facetten van de middeleeuwse samenleving evolueerden.
Michael Pye heeft het uitgebreid over de opkomst van het wetenschappelijk denken, één van mijn stokpaardjes. 'Was het wetenschappelijke, het logische, het vermogen om een abstracte verhouding te beschouwen als iets reëels, niet eenvoudigweg de nieuwe verschijningsvorm van iets wat allang deel uitmaakte van ieders dagelijks leven in het gebied rondom de Noordzee', vraagt hij zich af. Hij verwijst daarbij naar de Friese kooplui die manieren kenden om ideeën over prijzen en waarden op papier te zetten. De Friezen hadden bovendien munten die een abstracte grootheid vertegenwoordigden en niet de marktwaarde van het metaal dat ze bevatten. Ze berekenden de inhoud van hun schepen,...
Experiment
En passant maken we kennis met Adelard van Bath, die antieke en Arabische wetenschappelijke teksten herintroduceerde, en met Robert Grosseteste, samen met Adelard een prille voorvechter van de experimentele methode. Grosseteste (1175-1253) was zich, aldus Pye, overigens al bewust van het feit dat het falsifiëren van een theorie even belangrijk kon zijn als het bewijzen ervan. Op die manier brak hij een lans voor de moderne wetenschap. Veel van zijn opvattingen hadden zelfs in Newtons tijd nog invloed.
Pye toont in alles wat hij schrijft dat hij een alomvattend historicus is. In al de details die de archeologie, al die materiële resten, en de geschreven bronnen - zowel ambtelijke documenten als legenden - ons nalieten slaagt hij erin het totale plaatje te zien en dingen op een logische manier te verbinden die vaak onverbonden bleven.
Dat is weinigen gegeven. (gva)
Michael Pye, Aan de rand van de wereld, hoe de Noordzee ons vormde; De Bezige Bij Antwerpen; 2013, 430 p.
dinsdag 24 maart 2015
Giovanni: 'Berlioz, componist-satiricus'
Op een dag ontmoette ik een van onze meest vooraanstaande pianist-componisten, die teleurgesteld terugkeerde uit een havenstad waar hij had gehoopt te kunnen optreden. 'Ik heb geen mogelijkheid gezien om er een concert te geven', zei hij me in alle ernst, 'de haring was net binnengehaald, en de hele stad dacht alleen maar aan die kostelijke lekkernij!'Het voorgaande is een kort fragment uit Hector Berlioz' boek Avonden met het orkest. Het citaat staat te lezen op pagina 65 (van de 512) en de schalkse, soms bijtende, toon is dan al een tijdje gezet. Berlioz, componist, maar ook muziekcriticus voor o.a. Le Correspondant, Revue et Gazette musicale de Paris en Journal des débats bundelt in de jaren '50 van de negentiende eeuw zijn meest markante stukken tot een boek. Daarin schrijft hij scherp als een vlijm en fileert hij het Franse muziekleven tot op het bot. Dat hij er een pak vrienden in de muziekwereld door verloor staat buiten kijf.
Raamvertelling
De manier waarop de helmboswuivende Hector deze raamvertelling opvat is veelzeggend. De reeks verhalen, anekdotes, schotschriften en liefdesgeschiedenissen worden verteld door musici in de orkestbak van een operagebouw. Niet tijdens een repetitie, of een pauze. Nee, tijdens de opvoering van een minderwaardige opera. Een deel van de muzikanten vindt het niet eens de moeite om hun partij te spelen en parlevinkt onder elkaar. Dit kader geeft Berlioz de gelegenheid om, vaak zichzelf opvoerend als één van zijn alter ego's, de banale commerciële opera de mantel uit te vegen. Hij doet dat met enorm veel humor, satire en verontwaardiging en spaart daarbij zichzelf niet. Uit alles blijkt enorm veel liefde en hartstocht voor de goede muziek die, aldus Berlioz, in het Frankrijk van de negentiende eeuw het onderspit moet delven.
Het boek werd in 2006 uitgegeven bij Uitgeverij Atlas en is - voor zover ik kon nagaan - niet meer beschikbaar. Naar de betere bibliotheek, dus !
dinsdag 24 februari 2015
Giovanni: Ontdekkingen van de dag
|boek|
Eric-Emmanuel Schmitt, Beethoven is dood terwijl er zoveel idioten leven, Uitgeverij Atlas, 2011[De essentie van Beethovens muziek, mooi en zeldzaam treffend geschetst]
|cd|
Enrike Solinis & Euskal Barrokensemble, Colores del sur, Glossa Platinum, 2013[Spaanse barokdansen met flamenco-infuus]
Abonneren op:
Posts (Atom)





