maandag 15 januari 2018

Omtrent Stravinsky's Vuurvogel

Bewerking van de introductie gegeven
 n.a.v. het Nieuwjaarsconcert 
door de Koninklijke Harmonie Ste-Cecilia Zele
op 14 januari 2018 in De Wiek (Zele) 

Het verhaal van Igor Stravinsky’s Vuurvogel begint bij Sergei Diaghilev. Dat is wel degelijk de man naar wie onze Zeelse balletschool is vernoemd. Maar wie was hij?

Sergei Diaghilev
Diaghilev werd geboren in een rijke Russische familie in Rusland, zijn vader was kolonel bij de Russische cavalerie, maar het familiefortuin was voornamelijk afkomstig van het distilleren van vodka. Diaghilev studeerde rechten in Sint-Petersburg, en volgde tegelijk les aan het conservatorium. Zijn leraar, de componist Rimsky-Korsakov, deed hem zijn droom om componist te worden opbergen wegens ‘te weinig talent’. Het was een harde dobber. Aan  de universiteit kwam Diaghilev in contact met een groepje kunstminnenden, die hem alles bijbrachten over de Russische en de Westerse kunst. Diaghilev zal uiteindelijk één van de meest gerespecteerde leden van het groepje worden. Hierdoor komt hij met  heel veel mensen in contact, en gaat hij aan de slag bij de keizerlijke theaters. Hij mag toneelstukken en balletten produceren. Verder organiseert hij  schilderijententoonstellingen van Russische meesters, onder meer in Frankrijk.  Later volgden concerten met Russische muziek, en leidde hij de productie van Russische opera’s,…

Les Ballets Russes
Dit alles zal uiteindelijk leiden tot de oprichting van zijn eigen balletgezelschap: Les Ballets Russes. Tussen 1909 en 1929 traden de Ballets Russes op in tal van Westerse landen, in een soort van rondtrekkend bestaan, in steeds wisselende samenstellingen, met Diaghilev als constante factor. Het fameuze gezelschap bracht vele belangrijke dansers – denken we maar aan Vaclav Nijinski en Anna Pavlova - en choreografen voort en stond bekend om haar vernieuwingsdrang,  zowel in choreografie, in muzikaal opzicht, als in kostuums en decorontwerp. De Ballets Russes poogden een ‘synthese van alle kunsten’ te zijn: muziek, ballet, literatuur, schilderkunst, mode,… het werd allemaal geïntegreerd. Het Russische element was belangrijk voor Diaghilev. Dat laatste werd aanvankelijk vooral gegarandeerd door de samenwerking met Leon Bakst, maar later ook via de betrokkenheid van andere Russische kunstenaars zoals Marc Chagall. Hij werkte ook samen met niet-Russische ontwerpers. Bijzonder succesvol was bijvoorbeeld de samenwerking met Pablo Picasso voor Saties Parade. Voor het kostuumontwerp werd in de jaren twintig Coco Chanel ingezet. Diaghilev wist kwaliteit dus duidelijk te vinden. Met Matisse en Bracque werkte hij bijvoorbeeld ook samen.

Diaghilev zocht niet alleen kwaliteit voor decors, dansers, en kostuums,… Gedurende het hele bestaan van de Ballets Russes huurde Djagilev vooraanstaande componisten in om werken te schrijven voor zijn ballet en aldus stond hij ook aan de wieg van enkele van de belangrijkste muzikale premières van de twintigste eeuw. Ronkende namen waarmee hij samenwerkte zijn Debussy, Milhaud, Poulenc, Ravel, Respighi, Satie, Richard Strauss en Prokofiev, het kruim van de componistenwereld op dat moment.

Zijn belangrijkste ‘protegé’ was wel degelijk Igor Stravinsky. Zijn eerste grote ballet was l' Oiseau de Feu in 1910. Maar iedereen kent natuurlijk ook wel ‘Le sacre du printemps’ al was het maar omwille van de rumoerige première. Le sacre lokte controversiële reacties uit. Zowel de muziek als Nijinsky's revolutionaire choreografie werden als woest en barbaars ervaren. De première en liep uit op een relletje, maar bevestigde de faam van de ‘Ballets Russes’ als modernistische en baanbrekend-vernieuwend gezelschap , ook op muzikaal gebied.

En nu: De Vuurvogel zelf
Diaghilev had zich een grote uitdaging gesteld: een groot Russisch ballet creëren. Tal van componisten had hij hiervoor voor benaderd, de bekendste was Anatoli Liadov. Liadov was niet van de minste, een groot talent en leerling van Rimsky-Korsakov. Er was slechts één probleem, Liadov legde weinig ijver aan de dag. Liadovs gebrek aan werklust, mede te wijten aan overmatig drankgebruik, was berucht en ging bovendien gepaard met een overmaat aan zelfkritiek en bescheidenheid.
Diaghilev schrijft Liadov en ontvouwt zijn plannen:

‘Ik heb muziek nodig voor een ballet en wel een Russisch ballet, het eerste Russisch ballet want zoiets bestaat nog niet. Er is Russische opera, er zijn Russische symfonieën, Russische liederen, Russische dans, Russische ritmes, maar er is geen Russisch ballet.’

Liadov zegt toe maar na een lange stilte informeert Diaghilev naar de stand van zaken en Liadov antwoordt: ik heb al muziekpapier gekocht. Diaghilev raakt in paniek, onderbreekt de overeenkomst, denkt aan Glazoenov in zijn moeilijke zoektocht naar een Russische componist, maar probeert uiteindelijk bij de piepjonge Igor Stravinsky (27).

Wie was die jonge Stravinsky? Zijn vader was bas in het Mariinskitheater, Stravinsky zelf begon vrij vroeg piano te spelen en deed dat ook goed maar zijn ouders wilden niet dat hij muziek ging studeren. Het werd dus ‘rechten’. Tijdens zijn rechtenstudie ontmoette hij studiegenoot Vladimir, de zoon van componist Nikolaj Rimsky Korsakov. Die was aanvankelijk niet onder de indruk van Stravinsky’s eerste compositiepogingen maar adviseert hem toch om ook naar het conservatorium te gaan en er lessen harmonie en contrapunt te volgen. Op het moment dat Stravinsky’s vader sterft, beëindigt hij zijn rechtenstudies en gaat compositie volgen bij Rimsky-Korsakov die zowat zijn tweede vader  wordt. Op het moment dat Diaghilev Stravinsky contacteert had hij liederen, pianowerken, een paar korte orkestwerken, en een symfonie opgedragen aan Rimsky-Korsakov gecomponeerd. Diaghilev had toen al liederen van hem gehoord en zijn orkestwerken Feu d’artifice en Scherzo Fantastique.
Stravinsky aanvaardt de opdracht, schiet onmiddellijk in gang, en componeert aan De Vuurvogel van november 1909 tot mei 1910. Hij krijgt daar meteen als relatief onbekende componist een hoog honorarium voor. Diaghilev durft duidelijk risico’s nemen.

Het werk werd goed onthaald. Debussy die anders steeds karig is met complimentjes en op dat moment overigens in de clinch lag met Diaghilev bewierrookt het werk. Twee citaten illustreren dit.

‘Stravinsky heeft het over ‘mijn’ Oiseau de feu, zoals een kind over mijn tol, of mijn hoepel. En dat is hij precies: een verwend kind dat soms in de neus van de muziek peutert. Het is een jonge wilde die opzichtige dassen draagt, vrouwen de hand kust en daarbij op hun tenen gaat staan. Oud zal hij onuitstaanbaar zijn, maar voorlopig is hij fantastisch.’

‘De Vuurvogel is niet perfect, maar vanuit een bepaald oogpunt is het ook zeer goed, omdat de muziek niet de slaaf is van de dans. En af en toe hoor je er ritmecombinaties die volstrekt ongewoon zijn. Diaghilev is een groot man.’

De Vuurvogel ging in première op 25 juni 1910 in de Parijse opera. Tamara Karsavina danste de rol van de Vuurvogel, Michel Fokine kroop in de huid van  prins Ivan. Fokine was ook verantwoordelijk voor het scenario. Gabriël Pierné was de dirigent. De Vuurvogel zou het meest populaire werk tijdens Stravinsky’s leven worden, hij noemde het ‘that great audience lollipop’. ‘Het zou van mij een miljonair hebben gemaakt, maar ik ontvang er geen auteursrechten voor’, zegt hij zelf. Stravinsky en geld, dat was overigens altijd een moeilijke combinatie.

Tussen laat-romantiek en expressionisme
Waar stond Stravinsky muzikaal op het moment van De Vuurvogel? Hij was een leerling van Rimsky-Korsakov, en die was op zijn beurt een exponent van de laat-romantiek, van de Russische nationale school. Het is logisch dat Stravinsky’s muzikale taal in die lijn ligt. Die nationale romantiek ging de inspiratie vaak halen in volksliederen en volksdansen, in volkslegenden, in het nationale verleden, in gevoelens van vaderlandsliefde,… In die zin kan De Vuurvogel hiervan als een rechtstreeks afstammeling gezien worden. Het is moeilijk om er de latere antinationalist in te zien. Er wordt al eens beweerd dat De Vuurvogel ‘Opgewarmde Rimsky Korsakov’ is. Dat vind ik persoonlijk bij het haar getrokken. Het gebeurt dan meestal omwille van het contrast tussen een  folkloristische diatonische stijl (voor de menselijke karakters zoals prins Ivan en  de prinsessen) en een chromatische aanpak voor het bovennatuurlijke. Rimsky-Korsakov had dit principe eerder gehanteerd in zijn opera De Gouden Haan.

De Vuurvogel staat zeker al met één been in het expressionisme, de stijl die uitdrukking geeft aan een dionysische roes, een onbeheerste dronken roes, barst van vitaliteit, agressie, levensdrift. We kennen het expressionisme uit de schilderijen van Appel, Corneille, Alechinsky,…:  dionysisch, met felle en onnatuurlijke kleuren, grillige beelden, vervormingen, grof geschilderd, en een verwijdering van het perspectief. In de muziek loopt dit parallel:  timbres, dissonanten, geluidsdensiteit en ritmische structuren halen de bovenhand op melodie en harmonie. De muziek verwijdert zich ook verder van haar eigen perspectief, met name de tonaliteit.

Het balletgezelschap onthaalde de muziek aanvankelijk met ontsteltenis vanwege het gebrek aan melodie, sommigen vonden het zelfs gewoon geen muziek. Anna Pavlova, die oorspronkelijk de rol van de Vuurvogel zou dansen, weigerde: ze vond de muziek te uitdrukkingsloos en te complex.
Stravinski zegt er zelf over: ‘Het is de stijl van de tijd, krachtiger dan de gecomponeerde volksmuziek en niet bijster origineel. Maar dit zijn goede voorwaarden voor succes.’

Het verhaal
Voor het Vuurvogel-verhaal zelf, het scenario, verwijs ik graag door naar https://nl.wikipedia.org/wiki/De_vuurvogel

De suites
Het oorspronkelijke ballet duurde ongeveer drie kwartier,  maar Stravinsky putte er drie orkestsuites uit. Hij schreef de suites in 1911, 1919 en 1945. De harmonie brengt de suite uit 1919. (gva)

Voornaamste geraadpleegde bronnen:
Sjen Scheijen; Sergei Diaghilev, een leven voor de kunst.
Emanuel Overbeeke; Stravinsky in de spiegel van zijn tijd
Cd-opnames (en de bijhorende booklets) door Riccardo Chailly, Esa Pekka Salonen, Yuri Simonov
Wikipedia

woensdag 4 januari 2017

Waarom ik 'Koning van Katoren' aan het lezen ben

Van Jan Terlouw heb ik tijdens mijn schoolgaande jeugd nooit een jeugdroman gelezen. Nu vind ik dat een gemis. Niemand die daar schuld aan heeft, behalve ikzelf, want ik besprak elk jaar van de lagere school en humaniora hetzelfde boek, hoewel de leeslijst een pak langer was dan die ene titel. Dat verhaal deed ik hier al eens.
Momenteel ben ik Terlouws Koning van Katoren aan het lezen.
Dat zit zo.

Enkele jaren geleden kwam van Terlouw, ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag, het boek Hoed u voor mensen die iets zeker weten uit. De titel triggerde een scepticus als ik.
Ik citeer: 'Al vrij lang geleden ben ik tot de overtuiging gekomen dat op geen enkele wezenlijke vraag een definitief antwoord mogelijk is. Dat verontrust me niet, ik vind het eerder geruststellend. Vragen zijn diepzinnig, mysterieus, ze hebben de sierlijke vorm van het vraagteken. Antwoorden zetten het probleem bij in een leerboek, opgelost, afgedaan, opgeborgen. Vragen kunnen steeds een nieuwe vorm aannemen, een nieuw licht werpen op het probleem waaraan ze hun bestaan danken. Antwoorden plegen moord op het probleem.'

Mooi. In dit boek is niet de jeugdauteur maar de oud-politicus (van het Nederlandse D66) aan het woord die wezenlijke vragen durft te stellen - vragen over duurzaamheid, democratie, mensenrechten, welvaartsverdeling - zonder zich er met gemakkelijke antwoorden van af te maken. Hij toont zich een onafhankelijk en analytisch denker die geschoold is als natuurwetenschapper (kernfysicus) en afhaakt zodra een axioma tot absolute waarheid wordt verheven.

Een jaar na het verschijnen van het boek, oktober 2012, verzorgde Terlouw op vraag van denktank Liberales in het Liberaal Archief te Gent de eerste John Rawls-lezing. In zijn toespraak Zij die na ons komen toetste Jan Terlouw de theorie van rechtvaardigheid van John Rawls aan de problematiek omtrent de opwarming en de uitputting van onze aarde.

Daar was ik bij. Een indrukwekkend betoog. (Lees het hier na)
Naar het einde van de afsluitende receptie toe durfde ik het toch aan de man te benaderen en te vragen of hij mijn exemplaar van Hoed u... wilde signeren.
Ik zag een gentleman.

Een man die meteen in zijn vestzak op zoek ging naar een pen, er niet meteen een vond - we wisselden enkel woorden, misschien een paar zinnen - en er uiteindelijk een pracht van een vulpen uit op diepte. (Wie me kent weet dat ik een zwak heb voor mooie vulpennen, een zwakte waar ik gelukkig zelden aan toegeef.) De indruk die de man naliet was omgekeerd evenredig met het beperkte aantal minuten dat we elkaar spraken.

Enkele weken geleden begeesterde Terlouw, toen 85 geworden, miljoenen mensen met een uit het hoofd gereciteerde pleidooi in De wereld draait door. (Bekijk hier het filmpje) Ja, het pleidooi van het touwtje uit de brievenbus. De sociale media gingen overstag. Zijn oproep tot een leefbare wereld, waarin wij zorgen voor de aarde en vertrouwen hebben in elkaar weekte heel wat los.

Het pleidooi verscheen deze week in een boekje*, samen met een interview door Jesse Goossens met Terlouw over zijn beroemdste jeugdroman - die ik voortaan overigens gewoon roman noem. Om koning van Katoren te worden moet Stach, het hoofdpersonage, een aantal opdrachten vervullen. Die uitdagingen projecteert Terlouw in het interview naar onze hedendaagse samenleving. Het zijn proeven waar wij voor staan om de toekomst voor onze jeugd te waarborgen. Een helderder en zinvoller politiek project, neergeschreven in een boekje van amper 50 bladzijden, heb ik nooit gelezen.

En dat is waarom ik nu Koning van Katoren lees, want in de opdrachten van Stach ligt, sinds 1971, zowat het enige denkbare en succesvolle politieke project van de toekomst vervat. (gva)

* Jan Terlouw, Het touwtje uit de brievenbus & Katoren revisited; Lemniscaat, 2016

dinsdag 2 augustus 2016

Het rastrum van Tartini

Voor zover ik me herinner las ik de eerste keer over een rastrum in John Eliot Gardiners boek Bach, muziek als een wenk van de hemel. De vermelding van het eenvoudige toestelletje om notenbalken te tekenen bracht de componist, die een kolossale status geniet en op zijn muziekmanuscripten na weinig tastbaars achterliet, een klein beetje dichterbij, al zullen wel hoofdzakelijk zijn kopiist en en helpers er gebruik van gemaakt hebben.

Muziekmanuscripten en -drukkunst* hebben me altijd gefascineerd en toch ging ik er verkeerdelijk van uit dat componisten in de 17de en 18de eeuw papier gebruikten met voorgedrukte notenbalken erop. Ondertussen weet ik beter, dergelijk muziekpapier werd pas betaalbaar in de 19de eeuw. Derhalve gebruikte men voordien de vijfvoudige pen, het rastrum dus, wat in het Latijn zoveel als hark betekent.

Ik zag er onlangs voor het eerst een in het geboortehuis van de vioolvirtuoos en componist Giuseppe Tartini (1692-1770). Zou hij het gebruikt hebben tijdens het componeren van de sonate in g, Il trillo del diavolo ? (gva)


* In het museum Plantin-Moretus merkte ik een tijdje geleden een zethaak op met prachtige afzonderlijke notentekens in handzetsel. De noot en het stukje notenbalk stonden samen op één loden elementje.

woensdag 27 juli 2016

Bedenkingen vanop een bank in Piran

We genoten in Piran, een oogverblindend middeleeuws en Venetiaans aandoend stadje in Slovenië, op het Tartini-plein van de wegdeemsterende avondzon. Onze bank gaf uit op het historische stadhuis en het standbeeld van de violist-componist die in een betoverend, met muurschilderingen gedecoreerd huis aan datzelfde plein op het einde van de zeventiende eeuw het levenslicht zag.

Tussen het standbeeld en het majestueuze stadhuis voetbalde de lokale jeugd er op los. Twee lantaarnpalen, aan weerszijden van de monumentale hoofdingang van het stadhuis, bakenden één van de twee doelen af.
'Dat zouden de kinderen bij ons moeten proberen', dachten we. 'Tegen het gemeentehuis aan voetballen: omiddellijk een GAS-boete aan je voetbalbroek! Of op zijn minst een ferme verwittiging om onverwijld op te rotten.'

Tartini-plein versus Fonteinhof

Toen in het kader van 1200 jaar Zele het vernieuwde Fonteinhof, het pleintje voor het gemeentehuis met de in hun matrijs gevangen beukenhagen, werd ingehuldigd, zou het dé ontmoetingsplek worden, het levende en kloppende hart van de gemeente. Dat is het niet echt geworden. Er heeft af en toe wel eens een receptie plaats, of een kunstmarkt, maar de dagdagelijkse spontane levendigheid die je soms elders ziet, tref je er nauwelijks.
In 2011 werd het pleintje opgeleukt met een kunstwerk, iets te flink uit de kluiten gewassen petanqueballen. En natuurlijk begrijp ik de verwijzing naar Frankrijk, waar men samenkomt om een balletje te gooien. Maar net door dit kunstwerk op deze plek neer te zetten verloor het Fonteinhof zijn sociale functie volledig. Nu is er zelfs geen plaats meer voor een orkestje. Jammer. Want werd er destijds niet aangekondigd dat onze Zeelse korpsen er regelmatig op uitnodiging van de gemeente een concertje zouden geven?

Mogelijk enthousiasme werd overigens kort na de inhuldiging van het plein al onverlet de kop ingedrukt door borden te plaatsen met de niet mis te verstane melding dat skaters best andere oorden opzoeken. Rond die tijd mocht je in het park Peeters ook niet tegen een bal sjotten.
Waarom niet, eigenlijk?
Ik zal het u zeggen: kneuterigheid.

Pietluttig

Met het verbieden van flippo's in een chips-zakje in het midden van de jaren '90 heeft de truttigheid en de betutteling zich, zoals ik het me voorstel althans, in de politiek genesteld. Sindsdien wordt ons, boudweg gesteld, vanalles verboden om ons groot onheil te besparen, om anderen niet te storen, om geen aanstoot te geven, sindsdien lijkt de politicus het denkvermogen van de burger enorm te wantrouwen, denkt de politicus in onze plaats, wordt alles tot in het absurde toe in pietluttige regels gegoten en voorgekauwd en kan je een GAS-boete aangewreven krijgen voor belleketrek. Dat je in Slovenië ten allen tijde in alle openbare wateren, op eigen risico weliswaar, kan en mag zwemmen vind ik daarentegen een verfrissende gedachte. Je wordt tenminste geacht verantwoordelijkheid te kunnen nemen en voor jezelf te kunnen instaan.

Onkruid

Diezelfde avond in Piran vernam ik via een Facebook-bericht de oprichting van de éénmans-onkruidpolitie in Zele.
Ik viel haast van mijn bank.
Over de inhoudelijke kant, waarom we zo nodig al het natuurlijke uit onze omgeving willen weren in het voordeel van asfalt en synthetische geuren - om maar iets te noemen - moet ik het misschien in een andere blogpost hebben. Maar, het moment dat een politicus de baan optrekt om elke inwoner te wijzen op een mogelijk onkruidje op de stoep of tegen de gevel, is de balans tussen kleinsteedse betutteling enerzijds en het gezond vertrouwen in het individu anderzijds compleet de verkeerde richting doorgeslagen. (gva)

woensdag 17 februari 2016

Fidelio, brood voor kinderen én volwassenen

Gregie De Maeyer liet ooit optekenen: 'Je bakt een brood toch ook niet óf voor een kind, óf voor een volwassene.' Geschilderd op een muur in Het Paleis, het Antwerpse theaterhuis voor kinderen en jongeren, ken ik de context van het citaat niet, maar ik vermoed dat hij doelde op het kunstmatige onderscheid tussen literatuur voor volwassenen en jeugdliteratuur. Zijn standpunt houdt steek, natuurlijk. Ik (her)lees Roald Dahl nog steeds met enorm veel genoegen en, omgekeerd, in mijn schooltijd besprak ik in het zesde leerjaar, het eerste, tweede en vermoedelijk ook het derde jaar van de humaniora De Witte van Ernest Claes. Het moge duidelijk zijn: lezen deed de puberende Giovanni nog niet echt graag, maar van De Witte was ik helemaal weg. 

In het operagenre ligt dat toch even anders. Weinig kinderen zullen een urendurende Wagner licht verteren. Daar zal op zijn minst enig geschuifel op de stoel mee gepaard gaan. Het genre vraagt een bewerking voor het jonge grut. Judith Vindevogel van muziektheater Walpurgis weet dat. Zij maakte eerder een bijzonder gesmaakte operavoorstelling voor kinderen rond prinses Turandot. Onze kinderen hebben het daar, jaren nadien, nog vaak over.

Vindevogel snoeit in het aantal personages/zangers, de verhaallijnen worden tot een makkelijker begrijpbare essentie teruggebracht, in de tijd wordt de opera beperkt tot een 45-tal minuten en het orkest wordt gereduceerd tot een multi-instrumentalist of een pianist.
Daarmee gebeurt het.
In een klein zaaltje waar de actie plaatsgrijpt tussen het publiek, waar de zangers zich tussen het publiek begeven. Dat laatste is formidabel. Als een operazanger of -zangeres op amper een meter afstand een aria zingt, dan voel je dat tot in je kleinste teen. De muziek, uiteindelijk een ordening van frequenties, wordt fysiek heel voelbaar. Een terzet, met links, rechts en voor jou een zanger, is een surround-ervaring die geen gelijke kent. Dat blaast je gewoon omver.

Vandaag gingen we in Het Paleis naar Judiths Vindevogels bewerking van Beethovens Fidelio kijken en luisteren, een aangrijpende voorstelling. De grote thema's van de opera - vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid, machtswellust,... - bleven overeind. Humor, romantiek, het was allemaal aanwezig. Maar de voorstelling was geenszins vrijblijvend. Bijwijlen confronterend. Toen de uitgemergelde Florestan uit zijn kerker werd bevrijd, waarin hij opgesloten zat omwille van zijn idealen, hield minstens één klein Van Avermaetje het niet droog, mama en papa overigens ook niet. De bewerkte Fidelio: brood voor kinderen én volwassenen dus.

Op de terugweg van Het Paleis naar het centraal station bleef het de eerste 15 minuten héél stil. Dan weet je: in dat kleine zaaltje is iets heftigs gebeurd. Rune verbrak de stilte. 'Mama, papa', zei hij, 'ik ben blij en droevig tegelijk. Blij omdat het zo ongelooflijk mooi was. Maar ook droevig: mensen doen mekaar veel te veel lelijke dingen aan. Dat moet maar eens gedaan zijn!' (gva)

woensdag 27 januari 2016

Zwelgen in Weltschmerz

De kennismaking, vorig weekend, met de tenor Ian Bostridge was bijzonder aangenaam en intens. Ik luisterde meermaals naar de opname die hij samen met Leif Ove Andsnes maakte van Schuberts Winterreise. Onvoorstelbaar, wat hij doet met het werk. Verbluffend, hoe mooi hij zingt. Als u me toelaat even te vloeken in de kerk: minder afstandelijk dan de manier waarop Dietrich Fisher-Dieskau Schubert brengt, vind ik in al mijn subjectiviteit.

Zo rap als tellen kocht ik het boek Winterreise, een meesterwerk ontleed, waarin Bostridge zijn totale visie over het werk uiteenzet. Wie in de hoogromantiek wil gekatapulteerd worden: lees dit, overigens prachtig vormgegeven, boek! Zangtechnische en musicologische aspecten komen aan bod, maar laat u daar geenszins door afschrikken. Bostridge - hij begon pas laat, na studies filosofie en geschiedenis en een leerstoel in Oxford aan zijn professionele zangcarrière - weet de tijdsgeest te vatten in al zijn facetten: politiek en sociaal, maar hij belicht uiteraard ook uitvoerig de literatuur, de schilderkunst, het volksgeloof, de muziek,...
En dan kom je al snel bij ronkende namen terecht als Johann Wolfgang von Goethe, Friedrich von Schiller, Thomas Mann, Caspar David Friedrich,...

Ik dacht bij mezelf: laat ik dat in Weltschmerz badende boek van Goethe maar eens lezen: Het lijden van de jonge Werther. Het verscheen anoniem in 1774 en kreeg meteen een cultstatus. Ik las het in één ruk uit, zij het dat rond de helft van het boek het zelfmedelijden van het hoofdpersonage me wat te veel werd. Het verhaal is genoegzaam bekend: Werther wordt verliefd op Charlotte, zijn liefde wordt niet beantwoord en dat drijft hem tot een wanhoopsdaad.

Amper tien bladzijden ver in het boek kwam ik al een heleboel romantische metaforen tegen: de bron, het kabbelend beekje, een eenzame rotspunt, lindenbomen, de ongerepte natuur, het woud, het eindeloze zwerven zonder bestemming,... Maar het hoofdthema van het boek is natuurlijk de onbereikbare geliefde.

Na het lezen van het volledige boek vielen me twee zaken op:
1.   Er kruisen wel meerdere vrouwen Werthers pad, maar het is precies haar onbereikbaarheid, het feit dat ze al voor een andere man is voorbestemd, die Lotte voor Werther bijzonder aantrekkelijk maakt.
2. Meer nog dan liefdesverdriet drijven andere factoren Werther tot zijn wanhoopsdaad. Werther koestert vooruitstrevende idealen, heeft progressieve opvattingen over lijden, over rechtvaardigheid, over misdaad en straf, over de miskleun die de standenmaatschappij voor hem is. Hij ervaart voortdurend dat het wringt tussen hem, zijn denkbeelden, en het beklemmende tijdsgewricht waarin hij leeft. Bovendien bepleit en beargumenteert hij openlijk zijn meningen, hetgeen hem van zijn directe omgeving vervreemdt en isoleert.

Die leiden des jungen Werther, het is niet meteen het soort boek waarnaar ik spontaan grijp in de boekhandel of de bibliotheek, maar samen met het Winterreise-boek van Ian Bostridge heeft het me, meer dan welke cursus van destijds, inzicht gegeven in de stijlperiode van de romantiek.

Welk boek zou ik nu lezen ? Een luchtig Jeeves-avontuur van P.G. Wodehouse of toch maar De dood in Venetië van Thomas Mann ? (gva)

maandag 18 mei 2015

De middeleeuwen rond de Noordzee: alles behalve duister

Onze geschiedenis wordt vaak verteld vanuit een mediterraan perspectief. De bakermat van Europa ligt in het antieke Griekenland en in Rome: men heeft het ons ingeprent. Dat is uiteraard tot op zekere, zelfs vrij grote hoogte zo, maar de geschiedenis hield niet op toen Rome viel. Integendeel, de duizend jaar die erop volgden waren geen duistere middeleeuwen in onze gewesten.


Michael Pye neemt die draad op en beschrijft in Aan de rand van de wereld, hoe de Noordzee ons vormde, de geschiedenis van de landen rond de Noordzee tussen de val van het Romeinse rijk en de renaissance en tekent hoe de volkeren rond deze zee de eerste grote stappen zetten in de richting van ons hedendaagse monetair systeem, een rechtvaardige justitie, de moderne wetenschap, een opener visie op liefde en seksualiteit.
Hij doet dat bovendien weergaloos, op een zeldzaam boeiende manier.

En, we hebben als lezer aanknopingspunten.
Veel aanknopingspunten, want de plaatsen die beschreven worden zijn vaak dicht bij huis gesitueerd.
Zo begint het boek in Domburg, waar het water Vikinggraven blootlegde en de resten van de tempel voor de Gallische godin Nehalennia verzwolg. Onlangs was ik nog met het gezin in Domburg en de desbetreffende passages in het boek las ik met een enorme belangstelling, in sneltreinvaart.

Reconstructie van de Nehallenniatempel in Colijnsplaat
en van de middeleeuwse vissershuisjes in Walraversijde.
Laat ik even citeren, dan begrijpt u meteen wat ik bedoel. 'De eerste dagen van januari 1647 ranselden harde winden de duinen en zweepten de golven op. Zand werd meegevoerd en er werd iets zichtbaar dat daar niets te zoeken had: steen.' Dit citaat betreft de blootlegging van de tempel van Nehallenia.
Of nog, over de Vikinggraven: 'Drie jaar later was er een zo hevige storm dat er 's morgens lijken op het strand lagen: zeer oude skeletten, in doodskisten van centimeters dik hout (...) Bij één skelet was een drinkbeker op de borst geplaatst, een ander droeg een zilveren dolk langs de zij. (...) Maar de doden bleven terugkomen. Het grafveld kwam opnieuw bloot te liggen in 1749 en 1817, twintig ruwe, wormstekige doodskisten, bijeengehouden door houten pennen in plaats van spijkers, en opgesloten in het zand onder het gewicht van de oude duinen.'
Na Domburg is - ik meld dit even terloops - Walraversijde aan de beurt, het verdwenen middeleeuwse vissersdorp in de buurt van Oostende, op amper een uurtje rijden van waar ik woon. Er werden enkele vissershuisjes gereconstrueerd, het dorp van weleer werd archeologisch onderzocht en de belangrijkste vondsten kregen onderdak in een museum. (info: www.raversyde.be). De historische site is overigens een bezoek meer dan waard. Pye, verteller pur sang, gebruikt vaak die archeologie om haarfijn uit de doeken te doen hoe alle mogelijke facetten van de middeleeuwse samenleving evolueerden. 

Michael Pye heeft het uitgebreid over de opkomst van het wetenschappelijk denken, één van mijn stokpaardjes. 'Was het wetenschappelijke, het logische, het vermogen om een abstracte verhouding te beschouwen als iets reëels, niet eenvoudigweg de nieuwe verschijningsvorm van iets wat allang deel uitmaakte van ieders dagelijks leven in het gebied rondom de Noordzee', vraagt hij zich af. Hij verwijst daarbij naar de Friese kooplui die manieren kenden om ideeën over prijzen en waarden op papier te zetten. De Friezen hadden bovendien munten die een abstracte grootheid vertegenwoordigden en niet de marktwaarde van het metaal dat ze bevatten. Ze berekenden de inhoud van hun schepen,...


Experiment

En passant maken we kennis met Adelard van Bath, die antieke en Arabische wetenschappelijke teksten herintroduceerde, en met Robert Grosseteste, samen met Adelard een prille voorvechter van de experimentele methode. Grosseteste (1175-1253) was zich, aldus Pye, overigens al bewust van het feit dat het falsifiëren van een theorie even belangrijk kon zijn als het bewijzen ervan. Op die manier brak hij een lans voor de moderne wetenschap. Veel van zijn opvattingen hadden zelfs in Newtons tijd nog invloed.

Pye toont in alles wat hij schrijft dat hij een alomvattend historicus is. In al de details die de archeologie, al die materiële resten, en de geschreven bronnen - zowel ambtelijke documenten als legenden - ons nalieten slaagt hij erin het totale plaatje te zien en dingen op een logische manier te verbinden die vaak onverbonden bleven.
Dat is weinigen gegeven. (gva)

Michael Pye, Aan de rand van de wereld, hoe de Noordzee ons vormde; De Bezige Bij Antwerpen; 2013, 430 p.